Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY7474
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Zijn het belastbaarheidspatroon en het maatmaninkomen juist vastgesteld? In het kader van de WAZ wordt als uitgangspunt genomen de door de betrokkene behaalde en door de fiscus aanvaarde nettobedrijfswinst in de laatste drie kalenderjaren (direct) voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 02/6532 WAZ en 04/6695 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 december 2002, 00/2187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens op 18 maart 2003 een nader besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2005 en 16 juni 2006. Op 22 juli 2005 is voor appellant verschenen J.M.M. Hocks en was het Uwv niet vertegenwoordigd. Op 16 juni 2006 is appellant niet verschenen en was het Uwv vertegenwoordigd door A. Ooms.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 23 juli 1999 is aan appellant per 1 juni 1999 een WAZ-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Bij besluit van 20 oktober 2000 is appellants bezwaar tegen het besluit van 23 juli 1999 in zoverre gegrond verklaard dat per 1 juni 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid nader is gesteld op 35-45%.
Bij de aangevallen uitspraak is - voorzover thans van belang - appellants beroep tegen evenvermeld besluit op bezwaar gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe is de rechtbank overgegaan vanwege het ontbreken van enige medische motivering met betrekking tot het in of na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige akkoord gaan door de bezwaarverzekeringsarts met de overschrijdingen van appellants belastlastbaarheid bij alle aan appellant voorgehouden functies en derhalve het ontbreken van een toereikende grondslag voor de onderhavige schatting. In verband met het eerst ter zitting en dus te laat overleggen van een afdoende motivering heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand blijven.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1999 minimaal 65-80% bedraagt.

Bij nader besluit van 18 maart 2003 heeft het Uwv op grond van nadere medische en arbeidskundige gegevens appellant alsnog per 1 juni 1999 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Het maatmaninkomen is gelijk gebleven (f 26,32 bruto per uur), doch als gevolg van de vervanging van twee van de drie functies welke aan de theoretische schatting bij het besluit op bezwaar van 20 oktober 2000 ten grondslag waren gelegd, is de mediane resterende verdiencapaciteit vooral onder invloed van een lagere reductiefactor (0,53 in plaats van 0,97) gezakt van f 16,81 naar f 8,67 bruto per uur en is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid 67,1% gaan bedragen.

In reactie op dit nadere besluit heeft appellant aangevoerd dat het per 1 juni 1999 op basis van het inkomen over 1997 en 1.976 gewerkte uren per jaar te hanteren maatmaninkomen (inclusief 8% vakantie-uitkering en 129,3/122 inflatiecorrectie) f 42,69 bruto per uur dient te bedragen en dat van een mediane resterende verdiencapaciteit van circa f 7,18 (f 14,35 met een reductiefactor van 0,50) bruto per uur dient te worden uitgegaan, zodat per 1 juni 1999 de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 83,18% bedraagt en alsnog indeling in de klasse 80% of meer dient te volgen.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien bij het nadere besluit van 18 maart 2003 niet geheel tegemoet gekomen is aan het door appellant ingestelde hoger beroep, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, dat hoger beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit en zal de Raad thans tevens een oordeel over dat nieuwe besluit geven.
Bij vernietiging van de aangevallen uitspraak heeft appellant geen rechtens te beschermen belang meer. Appellant heeft terecht gesteld dat de beslissing op bezwaar niet binnen de hiervoor gestelde termijn is genomen. Nu niet gesteld of gebleken is dat appellant hierdoor schade heeft geleden, behoeft deze grief geen verdere bespreking. De door appellant in hoger beroep ingebrachte grieven kunnen en zullen aan de orde komen bij de beoordeling van dat nieuwe besluit en de door appellant gevorderde, uit de wettelijke rente over de ingevolge het nieuwe besluit na te betalen WAZ-uitkeringsbedragen bestaande schade is zoals te doen gebruikelijk aan hem vergoed.
In het hoger beroep zal appellant dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem dient te worden vergoed. Voor een proceskostenveroordeling van het Uwv wat de reis- en verletkosten van appellants gemachtigde op 22 juli 2005 betreft is geen plaats, daar het bij appellants gemachtigde niet gaat om beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is overgegaan tot een proceskostenveroordeling van het Uwv maakt dat niet anders; het Uwv is tegen die uitspraak niet in hoger beroep opgekomen, terwijl appellant weliswaar tegen die uitspraak in hoger beroep is opgekomen, doch niet op dit punt.

Wat de medische kant van de zaak betreft heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de medische beoordeling vanwege het Uwv op zichzelf weliswaar zorgvuldig is geschied, maar dat hij per 1 juni 1999 niet voltijds, doch ten hoogste viereneenhalf uur per dag kon werken.
Aangezien appellant dit standpunt niet met medische gegevens heeft onderbouwd en op basis van de voorhanden gedingstukken niet de conclusie kan worden getrokken dat het Uwv ten onrechte dan wel niet op goede gronden heeft geweigerd te komen tot enige urenbeperking, kan de Raad - evenzeer als de rechtbank - appellant daarin niet volgen.
Wat het aspect ĒzittenĒ betreft is er naderhand met pen of potlood een verandering aangebracht in het door de bezwaarverzekeringsarts E.V. van Hal - Dik op 13 december 1999 vastgestelde belastbaarheidspatroon; van een kwartier (2e) aaneengesloten zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag is een half uur (3e) gemaakt. De daarover door de Raad nader bij brief van 2 augustus 2005 aan het Uwv gestelde vragen zijn door de bezwaarverzekeringsarts G. Zomer bij diens rapport van 16 augustus 2005 genoegzaam beantwoord. Terecht is vanwege het Uwv uitgegaan van een half uur aaneen kunnen zitten.
Getoetst aan het aldus vastgestelde belastbaarheidspatroon, mede gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 april 2003, moet worden vastgesteld dat appellant de aan de op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% uitgekomen theoretische schatting ten grondslag gelegde functies (printplaatmonteur met fb-code 8538, advertentieacquisiteur met fb-code 4722 en chauffeur bestelauto met fb-code 9855) voltijds en ook overigens volledig moet kunnen vervullen. Daarbij tekent de Raad aan dat het zogenoemde bijduiden van functies ingevolge de vaste jurisprudentie van de Raad is toegestaan, indien het - zoals in dit geval - gaat om een beoordeling bij einde wachttijd.

Wat de berekening van het maatmaninkomen betreft deelt de Raad geheel het oordeel van de rechtbank.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad wordt in het kader van de WAZ als uitgangspunt genomen de door de betrokkene behaalde en door de fiscus aanvaarde nettobedrijfswinst in de laatste drie kalenderjaren (direct) voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Appellant is uitgevallen in 1998, zodat zou behoren te zijn uitgegaan van 1997, 1996 en 1995. Het Uwv heeft evenwel aanleiding gezien uit te gaan van het gemiddelde over de jaren 1993 tot en met 1997, omdat appellant in 1995 perioden van uitval heeft gehad wegens ziekte en het opknappen van zijn eigen woning, wat een voor appellant gunstiger winstresultaat oplevert en bovendien een reŽel beeld geeft van zijn maatgevende inkomen. Uitgaan van uitsluitend de nettobedrijfswinst in 1997 (verreweg het hoogste van de vijf bedragen aan nettobedrijfswinst), zoals door appelant ook in hoger beroep is gedaan, verdraagt zich niet met dat uitgangspunt en geeft ook geen reŽel beeld van appellants maatgevende inkomen.
Waar in artikel 8, eerste lid, van de WAZ wordt gesproken over grondslag is, anders dan appellant lijkt te menen, niet bedoeld het maatmaninkomen, doch de uitkeringsgrondslag.
Voor wat betreft de stelling van appellant dat de uitkering van de particuliere ziektekostenverzekering moet worden meegenomen, deelt de Raad eveneens geheel het oordeel van de rechtbank.
Appellant heeft nog aangevoerd dat de zogenoemde AA-premies niet in mindering mogen worden gebracht op de nettowinstbedragen. In zoverre deelt appellant niet het oordeel van de Raad, neergelegd in zijn uitspraak van 3 december 1996 (LJN ZB6627). Aangezien, gelet op het hiervoor overwogene, evident is dat het wel in mindering brengen van die premies er niet toe kan leiden dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid de grens van 80% overschrijdt, behoeft dit argument van appellant geen bespreking meer.
Hieruit volgt dat appellants beroep tegen het nadere besluit van 18 maart 2003 faalt en ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat ook overigens geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2003 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht (Ä 82,--) dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x