Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY7599
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van verlies aan verdiencapaciteit. Stelt betrokkene terecht dat hij de schedelbasisfractuur in maart 2000 en niet in maart 2001 opliep en dat hij volledig arbeidsongeschikt diende te worden verklaard?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5004 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 2 augustus 2004, 02/2625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als zelfstandige in drogisterij- en schildersbenodigdheden en meldde zich in oktober 2000 arbeidsongeschikt met ingang van 6 november 1999 in verband met een ziekenhuisopname ten gevolge van een longinfectie. De verzekeringsarts E.H.J. van Dijk gaf in rapport van 12 september 2001 aan dat appellant langzaam herstelde en vervolgens in maart 2001 bij een val van een trap een schedelbasisfractuur opliep. Van Dijk noteerde als klachten moeheid, conditie belemmerend dyspnoe d`effort, duizeligheid en misselijkheid in de ochtend, reukverlies, gehoorsverlies rechts en een aangezichtsverlamming. In verband met de longproblemen en de doorgemaakte schedelbasisfractuur achtte Van Dijk appellant sedert het einde van de zogeheten wachttijd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) onveranderd beperkt ten aanzien van met name zware inspannende arbeid en op conditioneel vlak, terwijl hij voorts een lichte beperking in verbale kwaliteiten aannam. Van Dijk legde zijn bevindingen vast in een handgeschreven FIS-formulier, dat uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 19 februari 2002. Aan de hand hiervan en op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van eveneens 19 februari 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige M. Buijssen blijkens zijn rapport van 22 februari 2002 een aantal functies en stelde hij vast dat er geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Daarbij ging hij uit van een maatmaninkomen van 2,34 bruto per uur, dat hij berekende aan de hand van de winstcijfers in de drie jaren voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag met als uitgangspunt een winstverdeling van 50-50% in de vennootschap onder firma van appellant met zijn echtgenote. De restverdiencapaciteit stelde Buijssen, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies en een reductiefctor van 0,54 vanwege een geringere urenomvang van deze functies ten opzichte van de maatmanfunctie, vast op 4,95 bruto per uur. Vervolgens weigerde het Uwv bij het primaire besluit van 28 februari 2002 aan appellant met ingang van 4 november 2000 een WAZ-uitkering.

In de bezwaarprocedure gaf de bezwaarverzekeringsarts H. Donkers in zijn rapport van 17 juli 2002 in verband met het bezwaar van appellant uitleg omtrent het systeem van de WAZ. Hoewel Donkers het lichamelijk onderzoek van Van Dijk summier achtte, leidde hij uit het belastbaarheidspatroon af dat met matige tot forse beperkingen ten aanzien van de fysiekenergetische belasting rekening is gehouden met de neurologische restverschijnselen van de schedelbasisfractuur en met de status na de longinfectie. Vervolgens verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 3 september 2002 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Volgens de rechtbank heeft het Uwv op basis van de beschikbare gegevens de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet onderschat. Daarbij nam de rechtbank in navolging van Donkers in aanmerking dat het Uwv ten gunste van appellant ook rekening heeft gehouden met beperkingen als gevolg van de schedelbasisfractuur in maart 2001, nu de door het Uwv beoordeelde datum 4 november 2000 was. De rechtbank onderschreef voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, waarbij zij aangaf dat blijkens de brief van het Uwv van 19 januari 2004 de geduide functies ook op de datum in geding actueel waren. Voorts stelde de rechtbank in verband met de beperkingen van appellant de functie confectienaaister (fb-code 7952) in de plaats van de functie administratief medewerker (fb-code 3391).

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de schedelbasisfractuur in maart 2000 en niet in maart 2001 opliep en dat hij volledig arbeidsongeschikt diende te worden verklaard.

De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien tot een ander oordeel ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Zoals de rechtbank heeft overwogen en het Uwv in het verweerschrift heeft aangegeven is bij het vaststellen van de beperkingen mede uitgegaan van de gevolgen van de schedelbasisfractuur. Voorts leveren de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten op voor het oordeel dat, uitgaande van het oplopen van deze fractuur in maart 2000, in verband met die fractuur op de datum in geding zwaardere beperkingen, waaronder naar het oordeel van de Raad mede het stellen van een urenbeperking kan worden gerekend, hadden moeten worden gesteld dan Van Dijk bij zijn onderzoek op 12 september 2001 heeft aangenomen.

Nu de Raad voorts in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht ook geen aanleiding heeft gezien de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit rechtens onjuist te achten, komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x