Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY9123
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene, die lijdt aan (de gevolgen van) een postwhiplashsyndroom, terecht dat haar medische beperkingen zijn onderschat?  De ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit is in hoger beroep alsnog gegeven.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3789 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juni 2004, 03/2830 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft C. Bousardt, voorzitter van de Stichting Werkgroep 1970 voor verkeers- en ongevallenslachtoffers te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, laatstelijk werkzaam als zelfstandig ondernemer van een loonbedrijf voor 40 uur per week, is in mei 1996 uitgevallen wegens concentratiestoornissen als gevolg van een verkeersongeval. In verband hiermee is haar met ingang van 14 december 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend (met ingang van 1 januari 1998 de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, hierna: WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering tot 1 januari 1998 is uitbetaald als ware appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door verzekeringsarts L.L. Ubbink, die, mede op basis van informatie van de behandelend sector, in zijn rapport van 18 oktober 2002 een posttraumatische stoornis en een spondylolyse constateerde en enige beperkingen vaststelde die hij neerlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML). Uitgaande van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige zes functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 25%. In overeenstemming hiermee is de uitkering van appellante bij besluit van 9 december 2002 met ingang van 5 februari 2003 ingetrokken.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma, na appellante te hebben onderzocht en alsnog inlichtingen te hebben verkregen van de haar behandelend manueel therapeut, in zijn rapport van 12 februari 2003 geconcludeerd dat de medische onderbouwing van het besluit van 9 december 2002 kan worden gehandhaafd. Dienovereenkomstig is het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van 4 juni 2003 ongegrond verklaard.

In het kader van de beroepsprocedure heeft appellante een rapport en een toelichting daarop ingebracht van het Whiplash Centrum Nederland van respectievelijk 2 december 1996 en 13 augustus 1998.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Hierbij heeft zij benadrukt dat zij lijdt aan (de gevolgen van) een postwhiplashsyndroom. Voorts heeft zij informatie met betrekking tot de afwikkeling van de schade, welke zij als gevolg van het ongeval in 1996 heeft geleden, toegezonden. Bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders en bezwaarverzekeringsarts F. Muradin hebben in hun rapporten van respectievelijk 5 januari 2005 en 27 januari 2005 het standpunt van het Uwv nader toegelicht.

Met betrekking tot de medische component van de schatting overweegt de Raad in de voorhanden medische informatie onvoldoende aanknopingspunten te zien om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist is ingeschat. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de beschikbare informatie van de behandelend sector door de (bezwaar)verzekeringsartsen Ubbink en Jeensma in hun rapporten kenbaar is meegewogen. Ten aanzien van het rapport en de toelichting daarop van het Whiplash Centrum Nederland merkt de Raad op dat de hierin vervatte informatie door de verzekeringsarts reeds in het kader van de eerdere beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante op grond van de WAZ is meegewogen.
Overigens heeft appellante in hoger beroep geen nadere informatie ingebracht welke haar standpunt in medische zin zou kunnen onderbouwen. De Raad merkt hierbij nog op dat de informatie met betrekking tot de afwikkeling van de door appellante geleden schade als gevolg van het ongeval in 1996, in het kader van de onderhavige beoordeling niet relevant kan worden geacht.

Ten aanzien van de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad het volgende. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is bepaald met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om het CBBS niet in beginsel aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar, dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

In hoger beroep heeft bezwaarverzekeringsarts Muradin, naar aanleiding van het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Snijders van 5 januari 2005, in zijn rapport van 27 januari 2005 nader gemotiveerd waarom (een aantal van) de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, met betrekking tot het niet-matchende aspect ‘concentreren van de aandacht’, de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. De Raad acht deze nadere motivering, welke ter zitting door de gemachtigde van het Uwv nog is voorzien van een toelichting, toereikend. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de onderhavige schatting op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in hoger beroep de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit, dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog is gegeven. Gelet op het standpunt van de Raad met betrekking tot het CBBS leidt dit tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en tot de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. De Raad acht evenwel geen termen aanwezig om op grond van genoemd artikel het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, vanwege het feit dat in hoger beroep geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644, --, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x