Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY9267
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is betrokkene geschikt voor passend werk en is de medische grondslag van het bestreden besluit juist? Voor zover de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM al zou zijn overschreden, kan dit niet leiden tot aanspraken die niet met de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen stroken. Nu vaststaat dat betrokkene terecht een WAZ-uitkering is geweigerd omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, zou een eventuele overschrijding van de redelijke termijn niet kunnen leiden tot een aanspraak op een WAZ-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4805 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juli 2004, 03/1880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft H.K. Knol, werkzaam bij PartnerConsult Adviesgroep B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2006, waar appellante en haar gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante, laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerkster en bezorgster in het bedrijf van haar echtgenoot, is op 12 februari 1999 uitgevallen voor haar werkzaamheden in verband met een schildklieraandoening (de ziekte van Graves) en rugklachten.

Het Uwv heeft bij besluit van 30 november 2000 geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder de overweging dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op en na 10 februari 2000, minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op de overweging dat de belastbaarheid van appellante in verband met voornoemde aandoeningen beperkt is, maar dat appellante met inachtneming van deze beperkingen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Appellante is aangewezen op fysiek weinig belastende werkzaamheden zonder tijdsdruk. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke appellante geschikt is voor een aantal passende functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%.
Hoewel appellante op medische en arbeidskundige gronden van dit besluit in bezwaar is gekomen, heeft het Uwv dit besluit, bij besluit op bezwaar van 13 juni 2001, alleen op arbeidskundige gronden heroverwogen. Dit vormde voor de rechtbank Dordrecht, in beroep oordelend over dit besluit, aanleiding het besluit bij uitspraak van 8 november 2002 te vernietigen, zonder het geschil aan een inhoudelijke beoordeling te onderwerpen.

Het Uwv heeft vervolgens alsnog op medische gronden een heroverweging gemaakt van het primaire besluit van 30 november 2000. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband de hoorzitting bijgewoond, waar de medische grieven van appellante tegen het primaire besluit nader zijn toegelicht en door appellante is aangegeven dat er bij haar beginnende artrose geconstateerd is. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de behandelende huisarts P. Vermeulen en internist R. van der Griend geraadpleegd. De verkregen informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven de primair vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Gegeven de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en de constatering in de eerdere heroverweging in bezwaar dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid en bekwaamheden van appellante, heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 13 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit), zijn primair besluit gehandhaafd.

Namens appellante is in beroep - kort gezegd - aangevoerd dat bij de uitspraak van 8 november 2002 niet alleen het bestreden besluit van 13 juni 2001 vernietigd is, maar ook het primair besluit van 30 november 2000. Voor zover dit door de rechtbank niet wordt onderschreven, is appellante van oordeel dat het Uwv bij de besluitvorming de redelijke, c.q. wettelijke beslistermijnen heeft overschreden, hetgeen niet zonder gevolgen kan blijven en zou moeten leiden tot toekenning van een WAZ-uitkering. Voorts is appellante van oordeel dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat de voorgehouden functies niet berekend zijn voor haar belastbaarheid. De voorgehouden functies dienen immers onder tijdsdruk verricht te worden, waarvoor appellante beperkt wordt geacht. De functie verspener is ongeschikt omdat appellante bekend is met hooikoorts. Tot slot is aangevoerd dat de schatting niet gedragen kan worden door de functies bestelwagenchauffeur/bezorgster maaltijden omdat hierin in een geringer aantal uren gewerkt wordt dan in het eigen werk.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat bij de uitspraak van 8 november 2002 alleen het bestreden besluit van 13 juni 2001 vernietigd is en het primaire besluit van 30 november 2000, zoals ook volgt uit het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand is gebleven. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de informatie van de behandelend internist R. van der Griend volgt dat de medische situatie van appellante begin 2000 goed was.
Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft de rechtbank overwogen dat uit de verwoording functiebelasting van de voorgehouden functies blijkt dat tijdsdruk niet voortkomt in deze functies en dat appellante niet heeft aangetoond dat deze verwoordingen een onjuiste afspiegeling vormen van de in werkelijkheid voorkomende belasting. De voorgehouden functies zijn naar het oordeel van de rechtbank berekend voor de belastbaarheid van appellante. Dit geldt evenzo voor de functie verspener, noch daargelaten het feit dat appellante de in beroep gestelde beperkingen ten gevolge van hooikoorts niet heeft aangetoond. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het Uwv bij de functieselectie het Besluit uurloonschatting juist heeft toegepast.

Appellante heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat de rechtbank een te beperkte uitleg gegeven heeft aan de brief van de behandelend internist R. van der Griend. Deze zou appellante wel degelijk arbeidsongeschikt achten, in ieder geval gedeeltelijk. Voorts zou de rechtbank ten onrechte hebben overwogen dat appellante de beperkingen ten gevolge van hooikoorts niet heeft aangetoond. De gemachtigde herhaalt de grief dat het verspenen gebeurt op kleinere, gemengde teeltbedrijven waar ook bloeiende planten aanwezig zijn, zodat om die reden en vanwege een allergie voor verschillende plantensoorten, deze functie ongeschikt is te achten voor appellante. De voorgehouden functies zijn niet berekend voor de belastbaarheid van appellante. Tot slot heeft de rechtbank een te beperkte uitleg gegeven aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het Uwv had uiterlijk 10 februari 2000 een besluit dienen te nemen en de forse overschrijding van de beslistermijn kan niet zonder gevolgen blijven. Appellante verzoekt de Raad te bepalen dat haar ingaande 10 februari 2000 een WAZ-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De Raad merkt daartoe op dat de bezwaarverzekeringsarts, na kennis te hebben genomen van informatie van de behandelende sector, geen aanleiding heeft gezien de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, waarin met de rugklachten en de schildklieraandoening rekening is gehouden, voor onjuist te houden. Dit oordeel komt de Raad niet onjuist voor. De Raad kan appellante met name niet volgen in haar grief dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de brief van de behandelende internist R. van der Griend van 3 april 2003. Uit de brief van de internist blijkt dat deze van oordeel is dat de medische situatie van appellante begin 2000 goed was. In deze periode was er geen sprake van verminderde arbeidsgeschiktheid, immers de internist merkt in zijn brief op dat (alleen) gedurende de perioden dat sprake is van recidiverende hyperthyreoÔdie (juni 2000 en januari 2001) het reŽel lijkt dat appellante op zijn minst verminderd arbeidsgeschikt is. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad merkt voorts op dat noch het bestaan van hooikoorts, noch het bestaan van een allergie voor verschillende plantensoorten medisch is onderbouwd.

De Raad overweegt voorts dat hem niet is gebleken dat de voorgehouden functies niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. Ten aanzien van de voorgehouden functies waar uit de verwoording functiebelasting is gebleken van markeringen, heeft overleg plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsgeneeskundige en is inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies geschikt zijn te achten.
Noch daargelaten hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de klachten van hooikoorts, overweegt de Raad ten aanzien van de geschiktheid van de functies bloemist/verspener en medewerker opkweekbedrijf planten dat, conform vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer gepubliceerd in USZ 1998/133), in beginsel van de juistheid van de in het Functie Informatie Systeem (FIS) vermelde gegevens wordt uitgegaan, tenzij wordt aangetoond dat deze onjuist zijn. De Raad is noch uit de verwoording functiebelasting noch uit de verkorte functieomschrijving, behorende bij voornoemde functies, gebleken dat er belastende factoren zouden zijn die hooikoorts veroorzaken omdat er gewerkt wordt op gemengde bedrijven, waar ook bloeiende bloemen aanwezig zijn. Het betreft hier louter veronderstellingen van appellante, die niet nader zijn onderbouwd. De Raad gaat er dan ook vanuit dat de in de verwoording functiebelasting van deze functies weergegeven belasting een juiste afspiegeling vormt van de in die functie werkelijk voorkomende belasting. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellante.

Wat betreft de grief van appellante dat de duur van de procedure, met name door de trage besluitvorming in bezwaar, van dien aard is dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, merkt de Raad het volgende op. Voor zover al zou moeten worden overwogen dat de redelijke termijn is overschreden (het Uwv heeft erkend dat de beslistermijnen in bezwaar zijn overschreden), overweegt de Raad dat dit niet kan leiden tot aanspraken die niet met de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen stroken. Nu vaststaat dat appellante terecht een uitkering ingevolge de WAZ is geweigerd, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, zou een eventuele overschrijding van de redelijke termijn niet kunnen leiden tot een aanspraak op een WAZ-uitkering. De Raad merkt voorts op dat namens appellante niet is verzocht om schadevergoeding.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x