Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AY9654
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden en heeft daarmee artikel 8:69, eerste lid, van de Awb geschonden. De stelling van appellanten dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen vóór de datum in geding is op geen enkele manier medisch onderbouwd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3450 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2004, 03/1449 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld en drie maal (aanvullende) gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006. Namens appellanten is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 5 mei 2003 (het bestreden besluit) waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 13 december 2002 tot de toekenning aan wijlen [betrokkene] (hierna: betrokkene) van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 3 april 2002 in verband met op 2 april 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en is in de aangevallen uitspraak tevens ingegaan op de door appellanten ten aanzien van de toepassing van artikel 39a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) opgeworpen beroepsgronden.

De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

Het besluit van 13 december 2002 heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de WAZ. Bij het thans bestreden besluit is dat besluit gehandhaafd, waarbij, met verwijzing naar artikel 7 van de WAZ, tevens een passage is opgenomen met betrekking tot de in deze geldende wettelijke wachttijd. Die laatste passage heeft appellanten blijkbaar geïnspireerd tot hun beschouwingen aangaande artikel 39a van de WAO, waarop in de aangevallen uitspraak is gerespondeerd.

De Raad stelt vast dat de rechtbank daarmee is getreden buiten de, door het bestreden besluit begrensde, omvang van het geding. De rechtbank heeft hiermee artikel 8:69, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht geschonden. In zoverre kan de aangevallen uitspraak geen stand houden.

Verder overweegt de Raad het volgende.

Betrokkene, door jicht op 19 juni 1989 uitgevallen uit zijn betrekking als zwakstroommonteur, is sedert 14 juni 1990 in het genot van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Vanaf 1994 werkt hij als zelfstandige. In januari 2001 is een onderzoek afgerond naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Uit dat onderzoek is de conclusie getrokken dat de voor betrokkene per 5 januari 2001 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd
15-25% bedroeg. Het daarop betrekking hebbende besluit is met de uitspraak van de Raad van 2 november 2004, 02/2026, onherroepelijk geworden.

Begin april 2001 en in juni 2001 is betrokkene tot twee maal getroffen door een hersenbloeding. In juli 2001 heeft hij een WAZ-uitkering aangevraagd in verband met, zoals blijkt uit de brief van mr. De Jonge van 3 april 2002, de als gevolg van de eerste hersenbloeding ontstane arbeidsongeschiktheid. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft vastgesteld dat als gevolg van de hersenbloedingen betrokkene sinds april 2001 fors toegenomen arbeidsbeperkingen heeft ondervonden.

In bezwaar en beroep hebben appellanten gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen vóór 2 april 2001. Die stelling is op geen enkele manier medisch onderbouwd. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende, onderbouwde medische oordeel.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij mede is beslist over de WAO-aanspraken van betrokkene;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor al het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot de vergoeding van het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 102,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x