Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ0559
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting van de WAZ-uitkering met behulp van het CBBS. De functies met een na de datum in geding gelegen actualiseringsdatum kunnen niet als onderdeel van de schattingsgrondslag worden aanvaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/4803 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 augustus 2003, 03/41 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2005. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar.

De Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 5 augustus 2005 vragen aan het Uwv gesteld, welke zijn beantwoord bij brief van 28 april 2006.

Bij brief van 30 juni 2006 is onder meer namens appellant gereageerd op de antwoordbrief van het Uwv.

Op 14 juli 2006 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Gelijk op de eerste zitting is appellant met voorafgaand bericht niet verschenen en heeft het Uwv zich doen vertegenwoordigen door mr. Van Daatselaar, voornoemd.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 22 november 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2002, houdende de weigering hem in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 31 oktober 2001, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, in de eerste plaats overwogen dat het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), van welk systeem het Uwv heeft gebruik gemaakt bij de in dit geding ter beoordeling staande schatting, in beginsel aanvaardbaar te achten als instrument om de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde te bepalen ingevolge de WAZ, zoals nader geregeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Voorts heeft de rechtbank, gelet op de voorhanden medische gegevens en mede in aanmerking genomen dat van de zijde van appellant geen medische gegevens zijn overgelegd op grond waarvan een andersluidend oordeel in overweging zou moeten worden genomen, geen aanknopingspunten gevonden om de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv in twijfel te trekken.

Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige aan de hand van de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst gemotiveerd heeft aangegeven waarom het merendeel van de geduide functies voor appellant geschikt is te achten. En functie is daarbij alsnog wegens overschrijding van de belastbaarheid van appellant komen te vervallen. Bij de overige functies is geen sprake van signaleringen, en deze zijn dan ook, aldus de rechtbank, voldoende besproken.

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep staande gehouden bezwaren van algemene aard tegen het gebruik van het CBSS als ondersteunend systeem bij de bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004, waarvan er n is gepubliceerd in RSV 2004/351, waarin de Raad onder meer heeft overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten.

Voorts stelt de Raad zich achter de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. In navolging van de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat voldoende is rekening gehouden met de (psychische) beperkingen van appellant. Hoewel op zich aan appellant kan worden toegegeven dat uit het expertiserapport, gedateerd 24 oktober 2002, van de door het Uwv geraadpleegde psycholoog M.P. Steger niet met volledige zekerheid valt af te leiden of diens bevindingen en conclusies ook zonder meer reeds gelding hebben voor de datum in geding - zulks in verband met de vaststelling in dat rapport dat al enige tijd sprake is van een remissie van appellants aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken - overweegt de Raad dat er al met al onvoldoende concrete medische aanknopingspunten zijn om het ervoor te houden dat appellant op de datum in geding in relevante mate anders of meer beperkt was dan vanwege het Uwv bij de bestreden besluitvorming tot uitgangspunt is genomen. Zulke aanknopingspunten zijn met name ook niet gelegen in de brieven van de huisarts en de maatschappelijk werker, waarop in dit verband namens appellant - wederom - een beroep wordt gedaan.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

Zoals van de zijde van appellant in het aanvullend beroepschrift van 1 juli 2005 terecht was geconstateerd, kent een aanzienlijk aantal van de bij de schatting in aanmerking genomen functies een actualiseringsdatum die is gelegen na de in geding zijnde datum 31 oktober 2001. Indien deze functies buiten aanmerking zouden worden gelaten, resteert weliswaar nog een drietal functies met een actualiseringsdatum die voor de datum in geding is gelegen, maar deze functies vertegenwoordigen tezamen minder dan 30, namelijk 25 - en derhalve in het licht van de in het van toepassing zijnde Schattingsbesluit vervatte getalsmatige eisen onvoldoende - arbeidsplaatsen.

Van de zijde van het Uwv is in dit verband, in samenvatting weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Indien, zoals hier het geval is, sprake is van een te late uitkeringsaanvraag, dan kan de beoordelingsdatum als gevolg daarvan zo ver in het verleden zijn gelegen dat, gegeven de bij het CBBS gevolgde systematiek om de functies in dat systeem met een zekere regelmaat te actualiseren, een reguliere functieselectie aan de hand van een raadpleging van het actuele bestand niet meer mogelijk is. Teneinde in een dergelijk geval toch functies te kunnen selecteren die per de beoordelingsdatum actueel en geschikt zijn, dient een functieselectie plaats te vinden aan de hand van een zogeheten historische raadpleging van het CBBS, dat wil zeggen een raadpleging van het CBBS per de desbetreffende in het verleden gelegen datum.

Een dergelijke historische raadpleging, waarbij de in het systeem aanwezige actuele functies tot vertrekpunt worden genomen en waarbij vervolgens wordt bezien of die functies ook op de desbetreffende datum in het verleden aanwezig waren, is, aldus het Uwv, bewerkelijker dan een reguliere raadpleging van het actuele functiebestand. Naar mate verder teruggegaan moet worden in de tijd, nemen arbeidsintensiviteit en tijdsbeslag navenant toe.

Daarnaast is als inhoudelijk bezwaar van een historische raadpleging erop gewezen dat niet alle functies die op een datum in het verleden in het CBBS aanwezig waren op deze wijze kunnen worden gevonden, omdat een aantal functies inmiddels niet langer voorkomt in het bij een dergelijke raadpleging als zoeksleutel gebruikte actuele functiebestand. Dit effect doet zich sterker gevoelen naar mate de te beoordelen datum verder in het verleden is gelegen. Als gevolg hiervan bestaat de kans dat een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van een historische functie-uitdraai tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidt dan het geval zou zijn bij een beoordeling aan de hand van actuele functies.

Gelet hierop wordt van de zijde van het Uwv een werkwijze voorgestaan die erop neerkomt dat in gevallen waarin als gevolg van een te late uitkeringsaanvraag functieselectie door middel van raadpleging van het actuele functiebestand niet volstaat ter selectie van op de beoordelingsdatum actuele en geschikte functies, maar daartoe eigenlijk een historische raadpleging van het CBBS noodzakelijk zou zijn, niettemin wordt volstaan met een selectie van functies uit het actuele functiebestand. Bijkomende voorwaarde daartoe is wel dat aan het Uwv niets te verwijten valt, in die zin dat niet (mede) door toedoen van het Uwv een tijdige beoordeling niet mogelijk is.

Deze uitgangspunten toepassend op het onderhavige geval, stelt het Uwv zich op het standpunt dat ook in het geval van appellant terecht is volstaan met een selectie van functies aan de hand van het actuele bestand en dat de daarbij geselecteerde functies met een actualiseringsdatum die na de datum in geding is gelegen, als grondslag voor de schatting in aanmerking kunnen worden blijven genomen.

De Raad kan zich hiermee niet verenigen, reeds omdat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de door het Uwv zelf voor toepassing van vorenomschreven werkwijze gestelde voorwaarde dat aan het Uwv geen enkel verwijt valt te maken.

Onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande ter zitting is besproken en tevens onder verwijzing naar hetgeen hierover - met juistheid - van de zijde van appellant is aangevoerd bij schrijven van 30 juni 2006, overweegt de Raad hierbij dat de onderhavige functieselectie heeft plaatsgevonden op 13 mei 2002. Indien de arbeidsdeskundige van het Uwv toen zou hebben onderkend - hetgeen klaarblijkelijk niet het geval is geweest - dat een aantal functies een te late actualiseringsdatum kende, dan zou hij, nu op dat moment nog slechts een beperkt aantal maanden was verstreken sedert de beoordelingsdatum 31 oktober 2001, nog alleszins aan de hand van een hernieuwde raadpleging van het actuele functiebestand en derhalve zonder enige noodzaak tot een historische raadpleging van het systeem, een voldoende aantal functies hebben kunnen selecteren als aanvullende grondslag voor de onderhavige schatting. Van de zijde van het Uwv is dit, desgevraagd ter zitting, ook expliciet erkend.

De functies met een na de datum in geding gelegen actualiseringsdatum kunnen aldus niet als onderdeel van de schattingsgrondslag worden aanvaard. Dit leidt tot de slotsom dat de in het bestreden besluit vervatte arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet voldoet aan de in artikel 9, aanhef en onder a, van het van toepassing zijnde Schattingsbesluit neergelegde getalsmatige eis dat een schatting moet rusten op ten minste drie verschillende functies die tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, in verband waarmee dat besluit wegens strijd met die bepaling voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 483,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot 805,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 116,-- ( 29,-- en 87,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.W.M. Bijloos als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2006.

(get.) J.W. Schuttel.
  
(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x