Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ1591
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. De schatting berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5973 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2004, 04/381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft appellant een rapport van 20 juni 2005 doen inzenden van de registerarbeidsdeskundige F.D. Kooistra.

Het Uwv heeft hierop een rapport van 20 september 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen ingezonden.

Bij brief van 24 oktober 2005 heeft appellant op laatstgenoemd rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.
De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 6 februari 2004 het besluit van 30 november 2001 is gehandhaafd. Daarbij is appellant meegedeeld dat hem met ingang van 26 juli 2001 geen uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is toegekend, omdat appellant per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (onder meer) een rapport van 16 juni 2003 van de door appellant geraadpleegde neuroloog M.B.M. Vermeulen, er geen redenen zijn om te twijfelen aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant. Appellant blijft van mening dat een te beperkte uitleg aan het rapport van deze neuroloog is gegeven op het punt van hand- en vingergebruik, nu appellant niet alleen beperkingen ondervindt bij de fijne motoriek, maar ook ten aanzien van een goede handvaardigheid. Voorts zijn de door de neuroloog vermelde beperkingen voor koude en hitte niet gevolgd.

Het is de Raad niet ontgaan dat de betrokken bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink blijkens zijn rapport van 6 november 2003 van oordeel was dat er geen enkel medisch argument was om de neuroloog Vermeulen te volgen en beperkingen aan te geven voor hand- en vingergebruik. Wel kon hij zich verenigen met de door deze neuroloog gestelde beperkingen voor koude en temperatuurswisselingen. De stafverzekeringsarts J. van Eekelen heeft evenwel bij rapport van 14 januari 2004 aanleiding gezien ten aanzien van de hand- en vingervaardigheid beperkingen te aanvaarden in de zin van: geen priegelwerk en geen hoogfrequente handelingen (beperkt tot maximaal 500 keer per uur). Voorts is ten aanzien van temperatuurswisselingen een beperking aanvaard. Mede gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 5 mei 2004 gegeven toelichting is de Raad met de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het hand- en vingergebruik in het aangepaste belastbaarheidspatroon in voldoende mate met de daarbij bestaande beperkingen is rekening gehouden. Van de zijde van appellant zijn ook geen nadere medische gegevens ingezonden op grond waarvan hieraan moet worden getwijfeld.

Ter zitting is van de zijde van het Uwv erkend dat geen rekening is gehouden met beperkingen voor koude en hitte, maar dat dit op zich voor de arbeidsongeschiktheidsschatting geen probleem vormt, omdat zich in de voor appellant geschikt geachte functies geen bijzondere omstandigheden met betrekking tot koude en hitte voordoen. De Raad volgt het Uwv, gelet op de van die functies beschikbare belastingpatronen, daarin.

Bij rapport van 20 juni 2005 is de door appellant geraadpleegde registerarbeidsdeskundige Kooistra tot de conclusie gekomen dat het maatmaninkomen niet juist is berekend en dat twee van de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies, te weten de bankbediende en samensteller, niet geschikt zijn. Bij rapport van 20 september 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Janssen het maatmaninkomen naar aanleiding hiervan gewijzigd. Ter zitting is ten aanzien van dit aspect van de zijde van het Uwv aangegeven dat die wijziging niet geheel correct is uitgevoerd, maar dat een juiste berekening van het maatmaninkomen op zichzelf niet leidt tot de uitkomst dat de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant 25% of meer bedraagt. Van de zijde van appellant is dit niet bestreden en ook de Raad gaat daarvan uit.

De Raad acht de geschiktheid van de functies bankbediende en samensteller door de bezwaararbeidsdeskundige Janssen voldoende toegelicht. In de bij brief van 24 oktober 2005 door appellant gegeven reactie ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Die reactie gaat ervan uit dat appellant beperkt is voor elke vorm van toetsenbordgebruik en voor het monteren van kleine producten. Dat standpunt vindt naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun in de gegevens van medische aard.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de arbeidsongeschiktheidsschatting op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 november 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x