Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ2602
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Heeft de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende rekening gehouden met de ernst van betrokkenes klachten? De geduide functies zijn na de datum in geding niet geactualiseerd en kunnen derhalve in het licht van vaste jurisprudentie niet als grondslag voor de schatting dienen. Het bestreden besluit mist een deugdelijke arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/246 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 december 2004, 04/94 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiser werkt als zelfstandige in de detailhandel. Op 25 oktober 2000 heeft eiser zich per 1 mei 1997 ziek gemeld. Met ingang van 30 april 2000 is eiser geen uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ) toegekend. Op 1 augustus 1998 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld.

Bij besluit van 15 april 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 28 augustus 1998 geen recht heeft op een WAZ-uitkering. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.”

De rechtbank heeft vervolgens overwogen geen aanknopingspunten te zien om te twijfelen aan de juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met de ernst van de klachten. Dit zijn zowel lichamelijke als psychische klachten. Hij heeft last van ernstige rugpijnen. In verband hiermee wordt van de zijde van appellant verwezen naar een brief van de behandelend neuroloog dr. J.A.L. Vanneste van 24 maart 2004.

Op grond hiervan is appellant van mening dat hij niet in staat is om de geduide functies en zijn eigen arbeid volledig te vervullen.

Appellant heeft voorts zijn grief gehandhaafd dat hij al in 1997 een aanvraag heeft gedaan om een WAZ-uitkering en dat het Uwv onzorgvuldig gehandeld heeft door die aanvraag pas in 2001 in behandeling te nemen.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van laatstgenoemde grief is de Raad met de rechtbank van mening dat in het dossier geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de juistheid van appellants stelling, zodat deze grief faalt vanwege het ontbreken van een genoegzame feitelijke grondslag.

Voorts heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling informatie van de behandelend sector betrokken heeft, waaronder de informatie van de behandelend neuroloog.

De Raad kan zich vinden in het standpunt van het Uwv dat de datum in geding 28 augustus 1998 is en derhalve ruim ligt voor de datum van het neurologisch rapport van 24 maart 2004, waardoor de daarin genoemde resultaten van een MRI LWSK niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

Het Uwv heeft appellants arbeidsongeschiktheidspercentage bepaald door middel van een theoretische schatting op gangbare arbeid.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad, gelet op zijn vaste jurisprudentie, niet er aan te kunnen voorbij zien dat blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 19 juni 2001 alle geduide functies na de datum in geding zijn geactualiseerd. Deze functies kunnen derhalve in het licht van die jurisprudentie, niet als grondslag voor de schatting dienen.

Het bestreden besluit mist derhalve een deugdelijke arbeidskundige grondslag en kan in rechte geen stand houden.

Raad concludeert om die reden dat het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel dient te worden vernietigd.

De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdracht geven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het namens appellant gedane verweer tot vergoeding van schade kan niet worden toegewezen, omdat nog niet vast staat of - en zo ja in welke omvang - schade is geleden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x