Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ3754
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ongewijzigde voortzetting van de WAZ-uitkering na intrekking van de uitkering omdat betrokkene telkens in gebreke was gebleven een vragenformulier ingevuld in te leveren. Had het UWV in de gezondheidstoestand van betrokkene dan wel in gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen aanleiding moeten zien van zijn beleid af te wijken in voor betrokkene gunstige zin?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/7275 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 november 2004, 03/1389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. T.W. Delhaye, advocaat te Bergum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Delhaye. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Liesting.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant ontvangt sedert 1985 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanaf 1 januari 1998 is dat een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast is appellant werkzaam als zelfstandig timmerman/aannemer. Bij besluit van 11 juli 2000 heeft het Uwv met toepassing van de artikelen 46 en 18 van de WAZ de uitkering met ingang van 13 mei 1999 ingetrokken omdat appellant ondanks herhaalde verzoeken in gebreke was gebleven het vragenformulier WAZ/WAO 1999 ingevuld te retourneren. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 30 december 2002 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu het vragenformulier op 13 augustus 2001 is ontvangen, de toepassing van de artikelen 46 en 18 van de WAZ met ingang van die datum ongedaan wordt gemaakt en de uitkering ongewijzigd wordt herzien naar de situatie van voor 13 mei 1999. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 7 november 2003, hierna: het bestreden besluit.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij het bestreden besluit heeft getoetst aan de beleidsregels van het Uwv, neergelegd in de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89 (hierna: de Regeling) en als haar oordeel heeft uitgesproken dat het beroep van appellant op verminderde verwijtbaarheid ten gevolge van zijn psychische toestand niet kan slagen.

Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat het appellant, gezien zijn psychische toestand en zijn diabetes niet te verwijten valt dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en dat er geen sprake is geweest van een redelijke belangenafweging omdat appellant gedurende de periode dat de uitkering was ingetrokken geen inkomsten heeft gehad. Appellant heeft voorts aangevoerd dat zijn vertegenwoordiger al in april 2001 contact had met het Uwv en dat hij mocht vertrouwen op toezeggingen van een medewerker van het Uwv dat de uitkering met terugwerkende kracht hersteld zou worden. Appellant meent ten slotte dat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt was. Bij brief van 13 oktober 2006 heeft appellant nog verklaringen overgelegd van zijn behandelend psychiater en van zijn zuster, alsmede indicatiebesluiten van het Centrum Indicatiestelling Zorg.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van 7 november 2003 in rechte stand kan houden.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 maart 2005, LJN AT3544, voorziet artikel 18 van de WAZ naar zijn bewoordingen niet in de mogelijkheid om een eenmaal met toepassing van dat artikel ingetrokken uitkering te doen herleven of hervatten. Het bestreden besluit, dat inhoudt een ongedaanmaking van de intrekking vanaf de datum van inlevering van het inlichtingenformulier, gepaard gaande met een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op die dag, is gebaseerd op ter zake door het Uwv in de Regeling vastgelegd buitenwettelijk begunstigend beleid.
Een dergelijk beleid dient door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst.
Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente en niet onredelijke wijze is toegepast.

Naar aanleiding van hetgeen door appellant is aangevoerd stelt de Raad vast dat niet zozeer de toepassing van het beleid in geschil is, als wel het antwoord op de vraag of het Uwv in de gezondheidstoestand van appellant dan wel in gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen aanleiding had moeten zien van zijn beleid af te wijken in voor appellant gunstige zin.

Op grond van de beschikbare medische gegevens is ook voor de Raad niet aannemelijk geworden dat de gezondheidstoestand van appellant in de periode van 13 mei 1999 tot 13 augustus 2001 zodanig was dat hij niet in staat was de gevraagde inlichtingen aan het Uwv te geven, noch dat de medische beoordeling door het Uwv onjuist is geweest.
De verzekeringsarts H. Oostra is in haar rapport van 29 april 2002 tot de gemotiveerde conclusie gekomen dat er geen sprake was van een zodanige psychische ontreddering van appellant dat hem geen verwijten kunnen worden gemaakt. Zij heeft er onder meer op gewezen dat appellant zich niet onder medische behandeling heeft gesteld en dat hij in het jaar 1999 en daarna heeft gewerkt, zij het aanvankelijk maar vijf uur per week.
De bezwaarverzekeringsarts E.V. van Hal-Dik heeft de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven en is in haar rapport van 11 september 2003 uitvoerig ingegaan op de overgelegde informatie van de behandelend psychiaters, psychotherapist en diŽtist van appellant. De verklaring van 18 mei 2006 van de psychiater M.R.A. Santana dat bij appellant in het voorjaar van 2006 de diagnose ADD is gesteld en de indicatiebesluiten inzake thuiszorg uit 2006 maken niet aannemelijk dat appellant in mei 1999 niet in staat was inlichtingen te geven aan het Uwv evenmin overigens als de ongedateerde verklaring van de zuster van appellant.

Wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 augustus 2001 overweegt de Raad het volgende. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen is aan de Raad niet kunnen blijken dat de belastbaarheid van appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist is vastgesteld. De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant in augustus 2001 weer regelmatig werk verrichtte en dat van de zijde van appellant de gegevens waarvan de arbeidsdeskundige J. Eerhart in zijn rapport van 9 september 2002 is uitgegaan niet zijn bestreden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de veronderstelling dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 augustus 2001 ten onrechte ongewijzigd heeft vastgesteld op 25 tot 35%.

De Raad is voorts niet gebleken van schriftelijke, in ondubbelzinnige bewoordingen aan appellant of zijn vertegenwoordiger gedane toezeggingen waaraan appellant het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het Uwv, in afwijking van zijn beleid, de uitkering weer met geheel terugwerkende kracht tot 13 mei 1999 zou herstellen. De door appellant overgelegde stukken bevatten dergelijke toezeggingen in elk geval niet.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden besluitvorming de hier geldende terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en M.C.M. van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x