Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ4382
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene terecht dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen en dat voor haar een urenbeperking moet gelden?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6941 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van ’s-Gravenhage van 4 november 2004, 04/1759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006, waar namens appellante is verschenen mr. Vis, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren [in] 1969 en laatstelijk werkzaam als verkoopster, heeft zich, terwijl zij een werkloosheidsuitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving, op 18 oktober 1999 ziek gemeld wegens rugklachten en (toenemende) vermoeidheid als gevolg van de ziekte van Sjögrun. Bij besluit van 28 maart 2001 is het verzoek van appellante om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen, welk besluit bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2002 is gehandhaafd. Het daartegen gerichte beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

In verband met een in mei 2003 gedaan verzoek van appellante om in aanmerking te worden gebracht voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering als jeugdgehandicapte heeft de verzekeringsarts W.F. Groen, nadat hij appellante had gezien, op 15 september 2003 rapport uitgebracht. Daarin is hij tot de conclusie gekomen dat het op 3 oktober 2000, in het kader van de voormelde aanvraag om een WAO-uitkering, opgestelde belastbaarheidsprofiel nog steeds van toepassing is. De eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft hij gesteld op 1 september 1993. Op grond van dit belastbaarheidsprofiel is de arbeidsdeskundige H.J.L. Fontein in zijn rapport d.d. 28 oktober 2003 tot de conclusie gekomen dat appellante nog geschikt is voor een aantal functies en op basis van drie van deze heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 25%. Als maatmanloon heeft hij daarbij het wettelijk minimumloon gehanteerd. In overeenstemming met het rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv appellante bij besluit van 29 oktober 2003 meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet, omdat zij op en na 31 augustus 1994 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

In bezwaar heeft appellante met name naar voren gebracht dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Daarnaast heeft zij gesteld dat voor haar een urenbeperking moet gelden.
Nadat de bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen informatie had verkregen uit de behandelende sector, heeft hij in zijn rapport van 11 maart 2004 te kennen gegeven dat het op 3 oktober 2000 vastgestelde belastbaarheidspatroon al vanaf 1990 geldig is.
Bij het bestreden besluit van 18 maart 2004 is in verband met de HBO-opleiding van appellante het maatmanloon, in afwijking van de primaire besluitvorming, vastgesteld op anderhalf keer het minimumloon. Deze wijziging leidde echter niet tot een indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse, zodat het Uwv bij dit besluit het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

In beroep heeft appellante in wezen dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar. Daarnaast heeft zij om schadevergoeding gevraagd voor het geval het beroep gegrond mocht worden verklaard.
In het verweerschrift is namens het Uwv te kennen gegeven dat de eerder geselecteerde functie van metaalpersbediende niet actueel is en derhalve komt te vervallen. Het laten vervallen van deze functie heeft echter geen gevolgen voor de schatting omdat de andere aan de schatting ten grondslag gelegde functies van datatypist, printplatenmonteur en montagemedewerker voor appellante geschikt zijn.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar eerder in de procedure geuite grieven herhaald. Daarnaast heeft zij de Raad verzocht een deskundige in te schakelen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins heeft de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen te honoreren.

Op grond van hun onderzoeken hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat het op 3 oktober 2000 vastgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds van toepassing is. Daarin zijn in verband met de klachten van appellante beperkingen opgenomen. De Raad is niet tot het oordeel kunnen komen dat de beperkingen van appellante zijn onderschat dan wel dat er aanleiding bestaat tot het aannemen van een werkbeperking. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt voor appellante zijn. Nu het bestreden besluit voor het overige eveneens op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x