Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ4910
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene terecht dat de verzekeringsarts het onderzoek naar betrokkenes beperkingen niet goed heeft verricht en dat betrokkene meer beperkingen heeft dan is aangenomen? Er is geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3795 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2004, 03/996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 oktober 2006. Appellant was in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen toe te kennen omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25% bedroeg.

Bij besluit van 13 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de verzekeringsarts het onderzoek naar de beperkingen van appellant niet goed heeft verricht en dat appellant meer beperkingen heeft dan is aangenomen. Appellant heeft in verschillende stadia van de procedure stukken ingebracht, waaronder rapporten van Instituut Psychosofia, Centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans (hierna: IP) van 8 november 2001, 31 oktober 2002, 28 oktober 2003 en 5 oktober 2006, een ongedateerd evaluatieverslag van C. van der Wal, brieven van fysiotherapeut R. van Campenhout van 12 december 2000 en 20 juli 2002, rapporten van arbeidsdeskundige G.J. van Assen van 15 juli 2002 en 3 februari 2004, rapporten van orthopedisch chirurg O. Schreuder van 30 januari 2003 en 18 januari 2004 en gegevens van appellants huisarts van 28 maart 2002 en 20 mei 2003. Naar de mening van appellant blijkt uit deze stukken genoegzaam dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

Evenals de rechtbank, zoals zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, heeft ook de Raad geen aanleiding gezien om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten.

Voor wat betreft de rapporten van IP volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn vaste jurisprudentie hierover. Voorts overweegt de Raad dat de overige van de zijde van appellant overgelegde stukken evenmin tot een ander oordeel leiden. De Raad heeft de stukken die niet afkomstig zijn van een medicus, dan wel geen betrekking op de hier in geding zijnde datum van 9 september 2001, buiten beschouwing gelaten. In de overige stukken heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden die het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek ondeugdelijk is geweest en dat de belastbaarheid niet juist is vastgesteld, rechtvaardigen.

Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen gebreken. Er zijn aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die vallen binnen zijn belastbaarheid en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden is vastgesteld op minder dan 25%.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x