Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ5401
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hangende het hoger beroep toekenning van een WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Stelt betrokkene terecht dat hij inmiddels in het geheel niet meer in staat is om te werken?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5220 WAZ en 06/4557 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2004, 04/422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een brief van zijn reumatoloog ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord. Daarbij heeft het Uwv een afschrift meegezonden van een nader besluit op bezwaar van 2 augustus 2006.

Naar aanleiding van het nadere besluit heeft appellant een reactie ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 10 november 2006. Partijen - het Uwv met kennisgeving - zijn niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 26 maart 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 11 juni 2003 een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.

Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 9 februari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting staande gehouden dat hij in verband met zijn gewrichtsklachten niet meer kan werken.

Het Uwv heeft in hoger beroep een nader besluit genomen, gedateerd 2 augustus 2006. Bij dit besluit is het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2003 alsnog gegrond verklaard en is appellant met ingang van 11 juni 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAZ, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Blijkens het rapport van 21 juli 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans, ligt aan deze nadere standpuntbepaling van het Uwv ten grondslag dat enkele van de bij de schatting gebruikte functies op arbeidskundige gronden, namelijk vanwege het niet voldoen door appellant aan bepaalde opleidings- en ervaringseisen, alsnog als niet passend dienen te worden aangemerkt, terwijl voor een aantal andere functies geldt dat deze dienen te vervallen om reden dat de daarin voorkomende belasting op bepaalde onderdelen uitstijgt boven de voor appellant blijkens het opgestelde belastbaarheidspatroon toegestane belastbaarheid.

De Raad begrijpt de naar aanleiding van het nadere besluit van 2 augustus 2006 door appellant gegeven - summiere - reactie van 7 september 2006 aldus dat appellant weliswaar op zich het ermee eens is dat hij alsnog in aanmerking is gebracht voor een gedeeltelijke WAZ-uitkering, maar overweegt tevens dat, gegeven de in de loop van de procedure door appellant naar voren gebrachte en in hoger beroep gehandhaafde opvatting dat hij niet meer in staat is om te werken, het ervoor dient te worden gehouden dat met het nadere besluit van 2 augustus 2006 niet volledig is tegemoet gekomen aan het beroep van appellant, zodat dat besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure dient te worden betrokken.

In verband hiermee, daarbij tevens in aanmerking nemend dat geen sprake is van een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb, heeft appellant geen belang meer bij zijn onderhavige hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, zodat dat hoger beroep niet-ontvankelijk is te achten. De Raad zal de door appellant naar voren gebrachte grieven beoordelen in het kader van het besluit van 2 augustus 2006, hierna: het bestreden besluit.

Inhoudelijk geldt dat de Raad in navolging van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen. In de beschikbare medische gegevens valt geen steun te ontlenen voor de eigen opvatting van appellant dat hij ten tijde hier van belang zodanige beperkingen als gevolg van zijn gewrichtsklachten ondervond, dat hij in het geheel niet meer kon werken. In het bijzonder bevat ook de in hoger beroep ingezonden brief van de reumatoloog dr. M.T. Nurmohamed onvoldoende aanknopingspunten voor die opvatting. In reactie op die brief heeft de bezwaarverzekeringsarts M.P.H. Franssen opgemerkt dat de daarin opgenomen bevindingen geen betrekking hebben op de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde datum 2 april 2002. Voorts heeft genoemde bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de primaire verzekeringsarts in verband met appellants gewrichtsklachten reeds uitgebreide beperkingen heeft aangenomen, en dat de opgestelde functionele mogelijkheden lijst ook nu nog ruimschoots voldoet als de door de reumatoloog verstrekte informatie zou worden meegewogen. De Raad heeft geen aanleiding om deze reactie niet voor juist te houden.

Aldus houdt de Raad het ervoor dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat. Daarvan uitgaande, acht de Raad, daarbij mede gelet op het arbeidskundig rapport van 21 juli 2006, voldoende aannemelijk dat appellant in staat moet worden geacht de resterende functies te vervullen. Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande door appellant is opgemerkt, overweegt de Raad dat op zich wordt erkend dat appellant forse beperkingen heeft, welke een belemmering voor hem vormen om nog (volledig) werkzaam te zijn in het eigen - zware - werk als zelfstandig grondverzet dumper chauffeur, maar die evenwel niet in de weg staan aan het verrichten van - aanzienlijk lichtere - arbeid als verbonden aan de thans nog als schattingsgrondslag dienende loondienstfuncties.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Er is niet gebleken van voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende proceskosten.

Wel dient het Uwv het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x