Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ6627
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Omdat betrokkene nimmer winst heeft gemaakt met zijn werkzaamheden als zelfstandige, dient de grondslag van de WAZ-uitkering op nihil te worden gesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5534 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 augustus 2004, kenmerk 04/184 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006. Appellant is daar, zoals was aangekondigd, niet verschenen en het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Van 12 juni 1982 tot 11 januari 1997 heeft appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ingaande 11 januari 1997 is de AAW-uitkering ingetrokken en de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In oktober 1999 is appellant als zelfstandige gaan werken en op 24 juni 2000 is hem een auto-ongeval overkomen, naar aanleiding waarvan hij op 12 juli 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd. Bij besluit van 13 november 2002 is aan appellant ingaande 23 juni 2001 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar de grondslag van de uitkering is op nihil vastgesteld. Bij besluit van 24 december 2003 is het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat vaststaat dat appellant nimmer winst heeft gemaakt met zijn werkzaamheden als zelfstandige. Gelet op artikel 8 van de WAZ dient de grondslag derhalve op nihil te worden gesteld.

Appellant meent dat het Uwv in redelijkheid het besluit van 24 december 2003 niet had kunnen nemen en heeft daarbij uitdrukkelijk een beroep gedaan op artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde hier van belang geen winst heeft behaald met zijn werk als zelfstandige. Uit vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 maart 2003, USZ 2003/153 en 23 december 2005, USZ 2006/45) volgt dat in een dergelijk geval de grondslag van de WAZ-uitkering op nihil moet worden gesteld. Aan beide uitspraken ligt ten grondslag de overweging dat de wetgever in de WAZ, in tegenstelling tot in de AAW, uitdrukkelijk heeft gekozen voor het beginsel van feitelijke inkomensderving.

Het feit dat appellant door het Uwv in het kader van zijn reļntegratie is geadviseerd als zelfstandige te gaan werken, kan aan het voorgaande niet afdoen. Ook het beroep van appellant op artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ slaagt niet, nu in het eerste lid van die bepaling uitsluitend is voorzien in een regeling voor de situatie waarin winst is gemaakt. Zoals hiervoor al is vermeld, is daarvan geen sprake in de situatie van appellant.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x