Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ6643
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging van de WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid als caféhoudster. Stelt betrokkene terecht dat bij het bestreden besluit onvoldoende tot uiting komt dat zij met ingang van de datum in geding niet over duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden beschikt? Toepassing van de middelingsmethode.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4101 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2005, kenmerk 04/2158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006. Namens appellante is verschenen R.T. van Baarlen, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellante was ten tijde hier van belang werkzaam als zelfstandig caféhoudster.
Op 7 november 2000 heeft zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd en bij besluit van 26 juni 2001 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 31 maart 2001 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met de door appellante verworven inkomsten is de betaling van de uitkering echter opgeschort. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2001 is bij besluit van 24 december 2001 gegrond verklaard en de ingangsdatum van de WAZ-uitkering is vastgesteld op 3 oktober 2000.

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat met ingang van 3 oktober 2000, gelet op de hoogte van de inkomsten van appellante in 2000, voor de betaling van de WAZ-uitkering wordt gehandeld als ware zij minder dan 25% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de uitkering ingaande 1 januari 2001, onder toepassing van het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de WAZ, wordt uitbetaald als ware appellante ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Bij besluit van 25 juli 2003 heeft het Uwv medegedeeld dat ook over 2002 de toepassing van artikel 58 van de WAZ tot een zelfde resultaat als over 2001 leidt.
Bij besluit van 7 januari 2004 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de arbeid die zij verricht met ingang van 1 januari 2004 wordt beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe zij met haar krachten en bekwaamheden in staat is. De mate van arbeidsongeschiktheid is per 1 januari 2004 vastgesteld op 25 tot 35%.
Tegen geen van deze besluiten heeft appellante een rechtsmiddel aangewend.

Naar aanleiding van de jaarstukken en de fiscale gegevens over 2003 heeft de arbeidsdeskundige berekend dat de toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WAZ over 2003 resulteert in fictieve indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Tevens heeft de arbeidsdeskundige gerapporteerd dat appellante per 3 oktober 2003, in aansluiting op het einde van de drie jaren termijn van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, definitief dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het Uwv dienovereenkomstig besloten. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij ongedateerd besluit (hierna: het bestreden besluit), door appellante op 12 november 2004 ontvangen, gegrond verklaard.
De toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WAZ per 1 januari 2003 leidt tot uitbetaling van de WAZ-uitkering per die datum als ware appellante 65 tot 80% arbeidsongeschikt. De definitieve vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 oktober 2003 is ongewijzigd 35 tot 45%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het Uwv ten onrechte ten nadele van haar is teruggekomen van het besluit van 7 januari 2004. Voorts meent appellante dat ten onrechte geen of onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat haar gezondheidssituatie in de loop van 2003 sterk is verslechterd, wat er onder meer toe heeft geleid dat haar onderneming per 31 mei 2004 is gestaakt.

De Raad overweegt als volgt.

Het geding is beperkt tot de vraag of de definitieve indeling van appellante per 3 oktober 2003 in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% door de rechtbank terecht in stand is gelaten.

In artikel 58, tweede lid, van de WAZ is onder meer bepaald dat de toepassing van het eerste lid ten hoogste kan plaatsvinden over een aangesloten tijdvak van drie jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat dit tijdvak van drie jaar eindigt op 2 oktober 2003, zodat appellante per 3 oktober 2003 dient te worden “afgeschat”, waarbij haar arbeid als zelfstandige wordt aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe zij met haar krachten en bekwaamheden in staat is.
De datum 1 januari 2004 die in het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 7 januari 2004 is vermeld, is evident onjuist. In beginsel is het Uwv bevoegd een dergelijke misslag te herstellen, waarbij uiteraard rekening dient te worden gehouden met het eventuele nadeel dat appellante hiervan zou leiden. Nu de betaling van de WAZ-uitkering gedurende de periode van 3 oktober 2003 tot 1 januari 2004 heeft plaatsgevonden naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en als gevolg van het bestreden besluit betaling dient plaats te vinden naar de klasse 35 tot 45%, vermag de Raad niet in te zien welk nadeel appellante hiervan ondervindt.

In wezen gaat het appellante erom dat - volgens haar - bij het bestreden besluit onvoldoende tot uiting komt dat zij per 3 oktober 2003 niet over duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden beschikt. Volgens appellante is de periode van drie jaren die ingevolge artikel 58 van de WAZ in aanmerking is genomen niet representatief om als basis voor de schatting te kunnen dienen. Hierbij heeft appellante zich onder meer beroepen op het Besluit beëindiging anticumulatie na drie jaar wisselende verdiensten (Stcrt. 1997, 86). In dit besluit is onder meer neergelegd dat de feitelijke schatting na afloop van de drie jaren in beginsel wordt gebaseerd op een middeling van de inkomsten van de afgelopen drie jaren. Op goede gronden kan worden afgeweken van de uitkomst van de zogeheten middelingsmethode.

De Raad stelt vast dat het Uwv bij de “afschatting” van appellante per 3 oktober 2003 de middelingsmethode heeft gehanteerd. Het in voornoemd Besluit neergelegde beleid van het Uwv laat weliswaar de mogelijkheid open voor een afwijkende benadering, maar dat betreft een uitzonderingssituatie. Daar waar appellante meent dat het Uwv gehouden is tot een dergelijke afwijkende benadering, ligt het op haar weg de noodzaak daarvoor aan te tonen. Hierin is appellante naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. Laatstelijk is appellante op 9 april 2003 onderzocht door een verzekeringsarts, waarbij is vastgesteld enerzijds dat er weliswaar geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden, maar anderzijds dat appellante bij wijlen toch over mogelijkheden beschikt ten aanzien van arbeid in haar eigen bedrijf. Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van een uitzonderingssituatie kon appellante naar het oordeel van de Raad dan ook niet volstaan met een verwijzing naar het onderzoek van de verzekeringsgeneeskundige van 9 april 2003. Weliswaar volgt uit dat onderzoek dat appellante niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden, maar anderzijds volgt uit dat onderzoek niet dat appellante in het geheel niet meer tot verwerving van inkomsten in staat is te achten. Dat er nadien een verslechtering van de medische situatie van appellante heeft plaatsgevonden, is evenmin in voldoende mate aannemelijk gemaakt.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv op basis van de destijds en ook thans beschikbare gegevens met gebruikmaking van de middelingsmethode mocht overgaan tot “afschatting” van appellante per 3 oktober 2003.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uigesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x