Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ6752
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Betrokkenes kritiek op enkele onderdelen van het CBBS faalt. Het bestreden besluit berust op een voldoende arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/951 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 januari 2004, 02/5110 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Bär.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was sedert 1989 werkzaam als zelfstandig handelaar in aanhangwagens. Hij is maart 2001 voor dat werk uitgevallen.

Bij besluit van 21 november 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 mei 2002 tot weigering van een WAZ-uitkering, omdat appellant op en na 12 maart 2002 minder dan 25% arbeidsongeschikt was, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat het Uwv in navolging van de (bezwaar)verzekeringsartsen van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.
Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank zich evenzeer in het bestreden besluit kunnen vinden.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat de beperkingen, die hij als gevolg van zijn sedert 2001 ontstane klachten ondervindt, te licht zijn ingeschat, met name ook met betrekking tot het concentreren en verdelen van aandacht. Daarbij is opgemerkt dat de verzekeringsarts met appellant in het geheel niet heeft gesproken over het werk als zelfstandige. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de beperkingen die in de jaren negentig zijn vastgesteld in verband met de nek-, schouder-, arm- en handklachten van appellant. Appellant heeft voorts uitvoerig betoogd waarom de geduide functies voor hem niet passend kunnen worden geacht. Van eenvoudig routinematig werk zou geen sprake zijn. Tot slot is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door appellant bekritiseerde toepassing van het CBBS.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank en op gelijke gronden als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigd is de Raad van oordeel dat er in de voorhanden gegevens van medische aard onvoldoende reden is te vinden voor twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid van appellant. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van diverse items in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

De verzekeringsarts, die de beschikking had over de ten aanzien van appellant in de jaren negentig opgemaakte (verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige) rapportages, heeft in zijn rapportage van 9 januari 2002 vermeld dat appellant in het verleden problemen heeft gehad met een cervico-brachiaal syndroom doch dat deze klacht door werkaanpassingen niet meer aan de orde is en dat appellant geen functionele beperkingen meer van betekenis heeft. Voorts heeft deze verzekeringsarts in zijn rapportage van 9 april 2002 aangegeven dat de in het kader van de WAO-aanvraag opgestelde rapportage en de FML van 9 januari 2002 ook kunnen gelden als uitgangspunt voor arbeidsdeskundig onderzoek in de onderhavige WAZ-zaak. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn bevestigd door de bezwaarverzekeringarts, die ook de beschikking had over de bij de behandelend neuropsycholoog ingewonnen informatie.
Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 7 november 2002 heeft geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts meer psychische beperkingen heeft aangenomen dan rechtstreeks voortvloeiende uit objectiveerbare afwijkingen. Met betrekking tot de belastbaarheid van appellant heeft deze bezwaarverzekeringsarts gesteld dat appellant naar objectieve maatstaven gemeten in ieder geval in staat is te achten eenvoudig routinematig werk te verrichten daar er daarbij weinig eisen zijn aan concentratie e.d. Er zijn geen argumenten de geduide functies op fysieke gronden te zwaar te achten, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

Andersluidende objectief medische gegevens op grond waarvan aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden getwijfeld ontbreken.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op basis van de vastgestelde FML geconcludeerd dat de maatgevende arbeid niet geschikt is voor appellant gelet op diens beperkte concentratievermogen. Zij heeft daarom een aantal voor appellant geschikt geachte functies geselecteerd, te weten wikkelaar, veilingmedewerker, productiemedewerker/monteur, gordijnennaaister/coupeuse en controleur/inpakker. Op basis van een uurloonvergelijking is er geen verlies aan verdiencapaciteit.

In de rapportage van 7 mei 2002 van de arbeidsdeskundige is verslag gedaan van het overleg met de verzekeringsarts dat op 2 mei 2002 over de zogeheten niet-matchende items heeft plaatsgevonden. In dat overleg is onder meer naar voren gekomen dat routinematige handelingen mogelijk zijn, mits niet in een hoog tempo. Voorts dat de geduide functies niet belastend zijn op het item handelingstempo en dat concentratie in routinematige werkzaamheden niet beperkt is. In aanvulling daarop heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 30 oktober 2003 gerapporteerd, dat het bij de ten aanzien van appellant vastgestelde beperkingen deels om matchende, deels om niet matchende punten gaat, dat de items in de functies geen rol spelen en waar ze wel relevant zijn, de eerder gegeven toelichtingen adequaat zijn. Geconcludeerd wordt dat de functies zonder meer als eenvoudig en routinematig zijn te beschouwen.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft is de Raad van oordeel dat door het Uwv reeds in de fase van bezwaar afdoende en voldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom de aan appellant voorgehouden uit eenvoudig routinematig productiewerk bestaande functies door hem met de ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen kunnen worden vervuld. Een en ander is neergelegd in een aan de gemachtigde van appellant gezonden nadere toelichting in de vorm van de “CBBS vergelijking FML en Belastingpunten”. De kritiek van appellant op (enkele onderdelen van) het CBBS faalt mitsdien.

Ter zitting is door het Uwv nog aangegeven dat de functie van wikkelaar ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd, maar dat dit niet leidt tot een andere uitkomst dan is neergelegd in het bestreden besluit. Deze opvatting is van de zijde van appellant niet bestreden en ook de Raad gaat daarvan uit.

De resterende functies kennen voldoende arbeidsplaatsen die appellant met zijn belastbaarheid en opleiding moet kunnen vervullen.

Het bovenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat ook arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit toereikend is.

De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x