Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ / WAO
x
LJN:
x
AZ6932
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Nu de arbeidsongeschiktheid is ingetreden vóór 1 januari 1998, kan de WAO-uitkering niet volledig naast de WAZ-uitkering worden uitgekeerd en dient op de WAO-uitkering per dag in mindering te worden gebracht het bedrag van de WAZ-uitkering per dag. Is er sprake van inkomsten uit arbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3856 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juni 2004, 03/4035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand N.V. te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2006. Voor het Uwv is verschenen M. de Bluts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellant is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, zelfstandig glazenwasser/schoonmaker, ontvangt sedert 20 augustus 1992 uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65 % en - in verband met inkomsten uit arbeid - uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De uitkering krachtens de WAO is aan appellant toegekend, omdat hij vrijwillig verzekerd is voor deze wet. De aan hem toegekende uitkering krachtens de AAW is per 1 januari 1998 voortgezet als een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ).

Per 16 februari 2001 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Op verzoek van het Uwv heeft hij op 11 oktober 2002 een aantal loonstroken naar het Uwv gezonden over de maanden januari 2001, juli 2001, januari 2002 en juli 2002. Blijkens deze loonstroken ontving appellant in deze maanden een salaris van zijn schoonmaakbedrijf.

Bij besluit van 13 december 2002 heeft het Uwv appellant ingaande 16 maart 2001 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Bij dit besluit heeft het Uwv voorts de betaling van de aan appellant toegekende uitkeringen krachtens de WAZ en de WAO over de jaren 2001 en 2002 gedeeltelijk opgeschort in afwachting van een nader onderzoek naar de inkomsten van appellant uit zijn bedrijf. De uitkeringen worden voorlopig uitbetaald als ware appellant voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt. Tevens heeft het Uwv in dit besluit aangegeven dat, nu de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden voor 1 januari 1998, de WAO-uitkering niet volledig naast de WAZ-uitkering kan worden uitgekeerd. Op zijn WAO-uitkering per dag dient in mindering te worden gebracht het bedrag van zijn WAZ-uitkering per dag.

Bij brief van 25 september 2003 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 13 december 2002. Hangende dit beroep heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2003 op het bezwaarschrift beslist. Daarbij heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift gegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2003 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Appellant kon en kan zich niet verenigen met dit besluit, omdat hij naar zijn mening in de jaren 2001 en 2002 geen arbeid heeft verricht. Voorts is hij van mening dat er geen grond is om op zijn WAO-uitkering de WAZ-uitkering in mindering te brengen.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het UWV als verweerder, heeft de rechtbank hierover het volgende overwogen:
“Artikel 84a van de WAO bepaalde dat artikel 46a van de WAO niet van toepassing was op vrijwillig verzekerden. Het tweede lid van dit artikel bepaalde dat als degene die recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering tevens recht had op een AAW-uitkering, de WAO-uitkering slechts werd uitbetaald voorzover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW overtrof. Nu de AAW per 1 januari 1998 is komen te vervallen is ook artikel 84a van de WAO vervallen. Op grond van het overgangsrecht geldt echter dat voor diegenen op wie de AAW-bepalingen van toepassing blijven, artikel 84a blijft gelden. Aangezien de AAW-uitkering van de betrokken vrijwillig verzekerden (en dus ook van eiser) vanaf de inwerkingtreding van deze wet als WAZ-uitkering wordt aangemerkt, dient artikel 84a ook in deze zin te worden gelezen. Verweerder heeft dus terecht de WAO-uitkering van eiser slechts uitbetaald voorzover deze het bedrag van de AAW-uitkering overtreft.”
en
“Op de loonstroken welke door eiser zijn overgelegd, staat immers met zoveel woorden vermeld dat de betalingen die zijn verricht, salaris betreffen. Over dit salaris zijn ook loonheffingen gedaan. Verweerder heeft deze betalingen dan ook terecht als inkomen uit arbeid aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de arbeidsdeskundige eiser volledig arbeidsongeschikt heeft geacht. Gelet op de hoogte van deze inkomsten heeft verweerder voorts terecht aangenomen dat er een gegrond vermoeden bestaat dat eiser recht heeft op een lagere uitkering. In artikel 55, derde lid, van de WAZ en artikel 50, derde lid, van de WAO is bepaald dat, als de uitvoeringsinstelling op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of een gegrond vermoeden heeft dat er recht op een lagere uitkering bestaat, de betaling van de uitkering wordt opgeschort.”

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen grond gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Anders dan appellant heeft betoogd, is op hem niet van toepassing het bepaalde in artikel 59, vierde lid, van de WAZ. Deze bepaling ziet op situaties, waarin de verzekering voor de WAO is aangevangen na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake geweest. Op hem is dan ook in verband met het daaromtrent bepaalde in de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen artikel 84a van de WAO onverkort van toepassing gebleven. Wat de gedeeltelijke uitbetaling van zijn uitkeringen in de jaren 2001 en 2002 betreft, is de Raad van oordeel dat de loonstroken duidelijke aanwijzingen inhouden, althans een gegrond vermoeden opleveren dat appellant in die jaren inkomsten uit arbeid heeft gehad.

Uit het vorenstaand volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x