Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ6976
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging en terugvordering van de WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Terecht is bruto teruggevorderd en er is geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5021 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 augustus 2004, 03-1159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft L. van den Heuvel, juridisch adviseur bij Robidus Adviesgroep B.V. te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nader stukken ingebracht waarop namens appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 14 juli 1998 heeft het Uwv aan appellant per 28 september 1998 een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% toegekend.
Bij besluiten van 7, 10 en 11 februari 2003 heeft het Uwv naar aanleiding van nader over appellants inkomsten sedert 1 januari 1998 ontvangen gegevens de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% gehandhaafd, maar de uitbetaling over 1998 alsook per 1 januari 2001 op nihil en over 1999 alsook 2000 op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% gesteld. Tegen deze besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 februari 2003 heeft het Uwv van appellant € 26.937,14 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van WAZ-uitkering over de periode 28 september 1998 tot en met 28 februari 2003.
Bij besluit van 11 juni 2003 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen zijn besluit van 17 februari 2003 ongegrond verklaard. Bij nader besluit van 28 november 2003 is het Uwv overgegaan tot het intrekken van zijn besluit van 11 juni 2003 en het geven van een nieuw besluit op bezwaar waarbij - wegens beperking van de terugvordering tot de periodes 28 september 1998 tot en met 31 december 1999 en 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 - de hoogte van het teruggevorderde bedrag is teruggebracht naar € 13.719,20 bruto.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 11 juni 2003 niet-ontvankelijk verklaard (met een proceskostenvergoeding van € 322,--) en appellants beroep tegen het besluit van 28 november 2003 ongegrond verklaard.
Tot dat laatste heeft de rechtbank (kort samengevat) het volgende overwogen.
Omdat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de besluiten van 7, 10 en 11 februari 2003, hebben die besluiten formele rechtskracht gekregen, moet van de juistheid van die besluiten worden uitgegaan en staat vast dat appellant over de jaren 1998, 1999 en 2001 onverschuldigd WAZ-uitkering heeft ontvangen. Er is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de WAZ op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Terecht is bruto teruggevorderd. Appellants beroep op artikel 6 EVRM kan niet slagen, omdat de redelijke termijn als in dat artikel bedoeld nog niet was verstreken.

In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd.
Ondanks zijn inkomsten is hij onverminderd 65-80% arbeidsongeschikt bevonden. Aangezien uit niets kan blijken dat het inkomensonderzoek in februari 2000 niet slechts betrekking had op februari 2000, heeft het Uwv bij hem ten onrechte niet gehonoreerd vertrouwen gewekt. Het teruggevorderde bedrag is zo hoog opgelopen, doordat het Uwv na het onderzoek door de arbeidsdeskundige St.M. Schrama op 17 september 2001 niet is overgegaan tot schorsing van de uitbetaling. De (betwiste) terugvordering had netto in plaats van bruto moeten geschieden, ten eerste omdat het Uwv willens en wetens is doorgegaan met uitbetalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% en ten tweede omdat het Uwv bij regres op anderen altijd nettobedragen hanteert. Gerekend vanaf september 2001 heeft wel degelijk schending van de redelijke termijn plaatsgevonden.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen is aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat appellants hoger beroep is beperkt tot de ongegrondverklaring.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderliggende besluiten van 7, 10 en 11 februari 2003 in rechte onaantastbaar zijn geworden, doordat appellant daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend en dat bijgevolg de onverschuldigdheid van de betalingen vaststaat. Aan appellants argument dat hij ondanks zijn inkomsten onverminderd 65-80% arbeidsongeschikt is bevonden, kan de Raad om die reden niet toekomen.

In het tweede, derde en vierde lid van artikel 63 van de WAZ is limitatief aangegeven in welke gevallen geheel of gedeeltelijk van de verplichte terugvordering kan worden afgezien. De in het tweede en derde lid aangegeven gevallen zijn hier niet aan de orde, zodat de vraag rest of zich hier het in het vierde lid aangegeven geval - dringende redenen - voordoet. Gelijk de Raad in eerdere uitspraken heeft overwogen, kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 63 van de WAZ van een dringende reden als daarin bedoeld slechts sprake zijn, indien de terugvordering voor de verzekerde tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het moet dus gaan om een incidenteel geval waarin iets bijzonders aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. Van onaanvaardbare gevolgen is de Raad in dit geval niet kunnen blijken. Het feit dat appellant in de loop van 2003 het teruggevorderde bedrag aan het Uwv heeft betaald, ook al is dat onder protest geschied, wijst niet in de richting van onaanvaardbaarheid van de gevolgen van de terugvordering voor hem.

Aangezien de onverschuldigde betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin was afgesloten, waardoor verrekening tussen het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en de fiscus - anders dan tussen appellant en de fiscus - niet meer tot de mogelijkheden behoorde, is terecht (zulks in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Raad) bruto in plaats van netto teruggevorderd. Reeds wegens het ontbreken van die mogelijkheid tot verrekening gaat de door appellant getrokken vergelijking met regres - wat er verder van zijn stellingen dienaangaande ook zij - niet op.

Appellants beroep op door het Uwv bij hem gewekt vertrouwen faalt. Een geval dat zó bijzonder is dat strikte toepassing van artikel 63 van de WAZ in die mate in strijd is met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel zodat die toepassing op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, doet zich hier niet voor. Er is immers geen sprake van een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling door of vanwege het Uwv waaraan geen onjuiste mededelingen van de kant van appellant debet waren of van een situatie waarin appellant niet had kunnen en dus behoren te onderkennen dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Ook hier speelt een rol dat appellant geen rechtsmiddel tegen de besluiten van 7, 10 en 11 februari 2003 heeft aangewend en dat appellants bezwaren tegen die rechtens onaantastbare besluiten in het thans aanhangige kader niet aan de orde kunnen komen. Voorts merkt de Raad op dat de arbeidskundige Schrama bij brief van 17 september 2001 aan appellant op niet mis te verstane wijze heeft gewaarschuwd voor een terugvordering, door aan te geven dat hij in verband met appellants verdiensten heeft geadviseerd appellant in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 25% en dat het heel goed mogelijk is dat het te veel betaalde van hem zal worden teruggevorderd.
Tot de gedingstukken behoort ook een notitie van een telefoongesprek op 15 oktober 2001 tussen appellant en een Uwv-medewerker waaruit is af te leiden dat appellant zich er heel wel van bewust is geweest dat hem een terugvordering boven het hoofd hing.

De Raad stelt vast dat appellants grief wat de (on-)redelijkheid van de termijn betreft uitsluitend is gericht tegen het aandeel van het Uwv als bestuursorgaan in de duur van de procedure. Gerekend vanaf het moment dat appellant een bezwaarschrift tegen het primaire besluit tot terugvordering heeft ingediend (14 maart 2003) en gegeven dat de uitspraak op het thans aanhangige hoger beroep zal worden gedaan op 4 januari 2007, is niet staande te houden dat artikel 6 van het EVRM - dat (behoudens een zich thans niet voordoend bijzonder geval) niet ook betrekking heeft op de periode vóór indiening van het bezwaarschrift - is geschonden, zodat er reeds daarom geen aanleiding bestaat tot het toekennen van immateriële schadevergoeding en het op die indirecte wijze matigen van de hoogte van het door appellant terug te betalen bedrag.

Overigens merkt de Raad op dat aan de WAZ eigen is dat eerst achteraf, veelal geruime tijd nadat een uitkeringsjaar is verstreken, de gedurende dat jaar genoten inkomsten uit arbeid kunnen worden vastgesteld, in de regel aan de hand van de door de betrokkene aan te reiken gegevens. In dit geval heeft appellant, nadat hem op 15 oktober 2001 vanwege het Uwv was gevraagd om loongegevens, zóveel tijd voor het leveren van die gegevens genomen dat de arbeidsdeskundige Schrama eerst op 5 februari 2003 de aan de besluiten van 7, 10 en 11 februari 2003 alsook het thans in geding zijnde terugvorderingsbesluit van 17 februari 2003 ten grondslag liggende berekeningen heeft kunnen maken.

Gelet op het vorenstaande faalt appellants hoger beroep. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x