Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ7166
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat de grondslag waarnaar de uitkering moet worden berekend 0,- bedraagt. Blijkens de jaarstukken betreffende de drie refertejaren heeft betrokkene met haar onderneming slechts verlies geleden; de fiscale winst over elk van die jaren is op nihil bepaald. Stelt betrokkene terecht dat zij als startende ondernemer veel investeringen heeft moeten doen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6628 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 oktober 2004, 04/268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft J.F.T. de Bruijn, verbonden aan HAB Hulp en Adviesbureau te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.




II. OVERWEGINGEN


Na eerst jarenlang in loondienst te hebben gewerkt is appellante in november 1999 gaan werken als zelfstandig schoonheidsspecialiste. Op 1 mei 2002 heeft zij zich arbeidsongeschikt gemeld wegens vermoeidheidsklachten en rugklachten, welke klachten blijken samen te hangen met de spierziekte Mc Ardle.

Op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is appellante arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 45 tot 55%. Naar het oordeel van de verzekeringsarts vloeien voor appellante uit haar aandoening verschillende beperkingen voort, maar heeft zij op zich nog duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Zij moet in staat worden geacht met inachtneming van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen werkzaamheden te verrichten, zij het in een maximumomvang van gemiddeld ongeveer 20 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bepaald op 45 tot 55%.

Bij besluit van 26 juni 2003, zoals dat naar zijn kennelijke strekking dient te worden begrepen, heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 30 april 2003 in aanmerking te brengen voor de door haar verzochte uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), waartoe is overwogen dat de grondslag waarnaar de uitkering moet worden berekend 0,-- bedraagt.

Uit de onderliggende stukken blijkt dat hierbij in aanmerking is genomen dat appellante blijkens de desbetreffende jaarstukken in de refertejaren 1999, 2000 en 2001 met haar onderneming slechts verlies heeft geleden. De fiscale winst over elk van die jaren is op nihil bepaald.

Bij besluit van 17 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd om reden dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten onrechte is bepaald op 45 tot 55%. Naar het oordeel van de rechtbank is er namelijk, nu ook het maatmaninkomen van appellante nihil bedraagt, geen sprake van verlies aan verdienvermogen. Omdat de rechtbank zich aldus wel ermee kon verenigen dat appellante geen recht kan doen gelden op toekenning van een WAZ-uitkering, heeft zij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Gelijk in eerdere fases van de procedure heeft appellante in hoger beroep wederom naar voren gebracht dat zij in verband met haar aandoening volledig arbeidsongeschikt is te achten en dat zij wel recht kan doen gelden op een WAZ-uitkering.

De Raad ziet aanleiding allereerst deze tweede grief van appellante te beoordelen. Die grief dient, voor zover hier van belang, mede aldus te worden verstaan dat volgens appellante de grondslag van de door haar gewenste WAZ-uitkering ten onrechte op nihil is bepaald. Appellante legt aldus onder meer de vraag aan de Raad voor of de grondslagvaststelling rechtens juist is te achten. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, komt appellante reeds om die reden niet in aanmerking voor de door haar gewenste uitkering, in welk geval de eerste grief van appellante geen beoordeling meer behoeft. De Raad merkt reeds hier op dat in dat geval aanleiding bestaat om de aangevallen uitspraak te bevestigen, nu in die uitspraak immers de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, te verstaan als de ontzegging aan appellante van WAZ-uitkering per 30 april 2003, in stand zijn gelaten.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens hetgeen appellante in de loop van de procedure heeft aangevoerd, bestrijdt zij op zich niet de vaststelling door het Uwv dat zij met haar bedrijf in het geheel geen winst heeft behaald. Zij is evenwel de opvatting toegedaan dat het Uwv daaraan had dienen voorbij te gaan, waartoe zij in de eerste plaats heeft gesteld dat de afwezigheid van winst zijn oorzaak vindt in het feit dat zij als startende ondernemer veel investeringen heeft moeten doen. Zonder die investeringen zou er volgens appellante wel winst zijn behaald. Ook heeft appellante in dit verband gewezen op problemen die zij heeft ondervonden met de verhuurder van het bedrijfspand. Hierdoor zou zij zeer ernstig financieel zijn benadeeld. Het Uwv had naar de mening van appellante met genoemde omstandigheden rekening moeten houden.

De Raad kan appellante in deze opvatting niet volgen.

In artikel 8 van de WAZ is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag. Voor de zelfstandige is de grondslag:
a. hetgeen hij in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag;
b. hetgeen hij in de vijf boekjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten.

Artikel 9 Inkomensbesluit WAZ bepaalt dat indien de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten tot een negatief bedrag leidt, de winst en de inkomsten op nihil worden gesteld.

Nu appellante in het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid als zelfstandige slechts een negatieve winst heeft behaald, heeft het Uwv terecht de winst met inachtneming van artikel 9 van het Inkomensbesluit WAZ op nihil bepaald.

Naar aanleiding van de hiervoor vermelde opvatting van appellante dat in haar geval bijzondere omstandigheden aanwijsbaar zijn op grond waarvan het Uwv eraan had dienen voorbij te gaan dat geen winst is behaald, overweegt de Raad dat voor een zodanige opvatting in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving geen steun valt te vinden. In het bijzonder geldt dat de in artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ voorziene hardheidsclausules appellante geen soelaas kunnen bieden. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, heeft de wetgever bij de WAZ uitdrukkelijk gekozen voor het beginsel van feitelijke inkomensderving. Voor appellante geldt dat daarvan geen sprake is, waarbij de Raad opmerkt dat zij ook in de beide overige jaren - 1999 en 2000 - waarin zij haar bedrijf heeft uitgeoefend slechts verlies heeft geleden. Voor toepassing van bedoelde hardheidsclausules bestaat dan geen ruimte.

De Raad komt aldus tot de slotsom dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 8 van de WAZ de grondslag op nihil heeft gesteld.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x