Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ7181
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAZ-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, gebaseerd op een schatting van betrokkenes feitelijke verdiensten als sportleraar. De door betrokkene overgelegde stukken zijn onvoldoende om daarop te baseren dat het maatmaninkomen hoger had moeten worden gesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/7107 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 november 2004, 03/985 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.




II. OVERWEGINGEN


Appellant is in 1997 wegens rugklachten uitgevallen voor de door hem in 1996 ter hand genomen werkzaamheden als zelfstandig exploitant van een modezaak. Ingaande 15 mei 1998 is hij in verband hiermee door (de rechtsvoorganger van) het Uwv in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 20 januari 2003 is hij in een omvang van 6 uur per week gaan werken als sportleraar. Met ingang van 8 april 2003 heeft hij deze werkzaamheden uitgebreid naar 24 uur per week.

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het Uwv met ingang van 20 januari 2003, de WAZ-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Uit de daaraan ten grondslag liggende gegevens blijkt dat deze herziening berust op een schatting op appellants feitelijke verdiensten als sportleraar.

Bij besluit van 20 oktober 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2003 ongegrond verklaard.

De uitbreiding van appellants werkzaamheden per 8 april 2003 heeft geleid tot volledige intrekking van zijn uitkering per diezelfde datum, welke intrekking door appellant niet wordt aangevochten. De herziening van appellants uitkering naar de klasse 65 tot 80%, welke aldus betrekking heeft op het tijdvak van 20 januari 2003 tot 8 april 2003, heeft voorts geleid tot terugvordering van hetgeen volgens het Uwv over dat tijdvak onverschuldigd aan appellant is betaald. Deze terugvordering op zich is in de
onderhavige procedure niet aan de orde, maar appellant bestrijdt wel de rechtmatigheid van de aan die terugvordering ten grondslag liggende herziening van zijn uitkering naar de klasse 65 tot 80%, als vervat is het bestreden besluit.

Appellant heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat zijn maatgevende inkomen te laag is vastgesteld, zulks in het licht van het - beduidend hogere - inkomen dat hij in de jaren voorafgaande aan 1996 heeft verworven met zijn toenmalige werkzaamheden als eigenaar van een zwembadcentrum en zwemleraar. Het zou daarbij met name gaan om de jaren 1994 en 1995, welke beide jaren samen met het jaar 1996 de drie jaren zijn, gelegen voorafgaande aan het intreden van appellants arbeidsongeschiktheid in 1997.

Voorts is appellant de mening toegedaan dat bij de vaststelling van de bij de onderhavige schatting betrokken feitelijke verdiensten ten onrechte zonder meer is uitgegaan van zijn bruto loon. Volgens appellant had dat loon eerst dienen te worden verminderd met bepaalde onkosten die hij heeft gemaakt in verband met de aanvaarding en uitoefening van zijn functie als sportleraar. Daarbij gaat het in concreto om de kosten samenhangend met de aanschaf van twee trainingspakken, van een tweedehands auto alsmede de kosten die aan het gebruik van die auto zijn verbonden voor het woon-werkverkeer.

Ten slotte heeft appellant de stelling betrokken dat hem van de zijde van het Uwv is toegezegd dat zijn werkhervatting als sportleraar - aanvankelijk - zonder gevolgen zou blijven voor zijn uitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de hiervoor als eerste vermelde grief, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, overwogen dat appellant geen op de jaren 1994 en 1995 betrekking hebbende jaarstukken heeft overgelegd en dat de wel overgelegde stukken van de Belastingdienst, waaruit het belastbaar inkomen van appellant blijkt, onvoldoende zijn om daarop te baseren dat het maatmaninkomen van appellant hoger had moeten worden gesteld dan het - om reden dat appellant in het jaar 1996 in zijn modezaak slechts verlies heeft geleden - als maatgevend in aanmerking genomen inkomen ter hoogte van het wettelijk minimumloon.

De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep ter zake van deze - op zich wel gehandhaafde - grief niet anders naar voren gebracht dan dat hij alsnog heeft geprobeerd om via het archief van zijn faillissementscurator - appellants werkzaamheden in het zwembadcentrum zijn destijds als gevolg van faillissement tot een einde gekomen - de stukken te achterhalen van de boekjaren 1993, 1994 en 1995 en dat deze niet meer voorhanden zijn.

Dit geeft de Raad geen enkel aanknopingspunt voor een ander oordeel dan het hiervoor vermelde oordeel van de rechtbank. Nu op zich gesteld noch gebleken is dat, uitgaande van het jaar 1996 als (enig) maatgevend jaar, het maatmaninkomen niet juist is berekend terwijl voorts ook in hoger beroep niet is kunnen blijken van enig gegeven dat steun zou kunnen verlenen aan de opvatting dat appellants maatmaninkomen op een hoger bedrag zou moeten worden gesteld indien bij de vaststelling daarvan mede (het inkomen over) de jaren 1994 en 1995 als maatgevend zou(den) worden betrokken, kan de Raad niet tot een andere slotsom komen dan dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zijn maatgevende inkomen te laag is vastgesteld.

Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn opvatting dat zijn salaris als sportleraar eerst met bepaalde door hem in verband met de aanvaarding en uitoefening van die functie beweerdelijk gemaakte onkosten - betreffende aanschaf van trainingspakken, een auto en reiskosten - had dienen te worden verminderd alvorens dat salaris in aanmerking mocht worden genomen bij de onderhavige schatting op feitelijke verdiensten. In beginsel dient in een geval als het onderhavige, waarin loon uit een dienstbetrekking in aanmerking wordt genomen bij een schatting op feitelijke verdiensten, te worden uitgegaan van het bruto loon en niet van het loon dat resteert na aftrek van verwervingskosten en/of andere onkosten die van invloed zijn op het vrij besteedbare inkomen van appellant. De Raad merkt daarbij nog op dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de door hem gestelde kostenposten noodzakelijk waren voor de uitoefening van zijn werkzaamheden en dienen te worden aangemerkt als daaraan inherent.

Ten slotte stelt de Raad zich ook achter het oordeel van de rechtbank dat de beschikbare stukken geen aanknopingspunten bieden voor de stelling van appellant dat van de zijde van het Uwv aan hem de rechtens te honoreren toezegging is gedaan dat verdiensten uit door hem ter hand te nemen of ter hand genomen werkzaamheden als sportleraar of anderszins - al dan niet voorlopig - zonder gevolgen zouden blijven voor zijn uitkering.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op19 januari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x