Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ / TW
x
LJN:
x
AZ7287
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De intrekking en (de hoogte van de) terugvordering van de toeslag ingevolge de TW staan in rechte vast. Is het verrekeningsbesluit op goede gronden genomen? Stelt betrokkene terecht dat het UWV na de vernietiging van het besluit tot intrekking van de AAW/WAZ-uitkering en de handhaving van de mate van de arbeidsongeschiktheid was gehouden om ook de besluiten tot intrekking en terugvordering van de TW-uitkering te herzien, aangezien deze besluiten immers niet meer waren dan een uitvloeisel van het besluit tot intrekking van de AAW/WAZ-uitkering?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/7145 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 november 2004, 03/1728 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. A.J.M. Van der Borst, advocaat te Etten-Leur.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006. Voor appellant is verschenen mr. Van der Borst. Voor het Uwv is verschenen mr. W. Oosterbos.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 11 mei 1985 is aan appellant een uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Met ingang van 15 oktober 1995 is aan appellant ook een uitkering krachtens de Toeslagenwet (TW) toegekend. De AAW-uitkering is per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), per 1 juni 1998 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit I van 29 september 1998 is de aan appellant toegekende AAW/WAZ-uitkering per 1 januari 1995 ingetrokken onder overweging dat appellant vanaf 1 januari 1995 een zodanig inkomen uit arbeid als zelfstandige heeft genoten dat hem vanaf dat moment geen AAW/WAZ-uitkering meer toekwam. Bij besluit II van 29 september 1998 is ook de TW-uitkering ingetrokken onder verwijzing naar de intrekking van de AAW/WAZ-uitkering. Bij besluiten III en IV van 29 september 1998 zijn de aan AAW/WAZ- en TW-uitkering onverschuldigd betaalde bedragen van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluit I, houdende de intrekking van zijn AAW/WAZ-uitkering. Dit bezwaar is bij besluit van 10 augustus 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 december 2000 het beroep van appellant tegen voornoemd besluit van 10 augustus 1999 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

Het Uwv heeft vervolgens het besluit 29 september 1998 tot intrekking van de AAW/WAZ-uitkering (besluit I) vervangen door drie nieuwe besluiten van 3 december 2002. Het eerste besluit strekt tot (hernieuwde) toekenning van een AAW-uitkering per 1 januari 1995 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%, het tweede besluit tot herziening van de WAZ-uitkering per 1 januari 1999 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en het derde besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering per 1 januari 2002 vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.

Bij besluit van 22 april 2003 is het door appellant tegen het derde besluit van 3 december 2002 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is de intrekking van de WAZ-uitkering per 1 januari 2002 ongedaan gemaakt.

Inmiddels had het Uwv de terugvorderingsbesluiten van 29 september 1998 (besluiten III en IV) ambtshalve vervangen door een besluit van 16 april 2003 strekkende tot verrekening van de openstaande vordering inzake de WAZ en de TW.

Appellant heeft tegen dit besluit van 16 april 2003 bezwaar gemaakt stellende dat het Uwv ook de intrekking van de TW-uitkering (besluit II) ongedaan had moeten maken en derhalve niet tot het besluit van 16 april 2003 tot terugvordering en verrekening had mogen komen. Bij besluit van 3 juli 2003 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 juli 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe kort gezegd overwogen dat in de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2000 uitdrukkelijk is overwogen dat het bezwaarschrift van appellant in die procedure slechts is gericht tegen het besluit van 29 september 1998 tot intrekking van zijn AAW/WAZ-uitkering (besluit I) en dat het Uwv zich bij het in die procedure bestreden besluit terecht had beperkt tot een heroverweging van dat besluit. De rechtbank heeft verder overwogen dat daarmee in rechte vaststaat dat tegen de besluiten van 29 september 1998 tot intrekking van zijn TW-uitkering (besluit II) en tot terugvordering van het krachtens de TW aan hem betaalde bedrag (besluit III) geen rechtsmiddelen zijn aangewend, dat de intrekking van de TW-uitkering en de terugvordering alsmede de hoogte van de terugvordering eveneens in rechte vaststaan en dat het Uwv terecht en op goede gronden - daarbij verwijzend naar artikel 3 van het Besluit inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering - heeft besloten tot verrekening van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering.

In hoger beroep voert appellant aan dat de besluiten van 29 september 1998 een onverbrekelijk geheel vormen en gebaseerd waren op dezelfde feitelijke en rechtsgrondslag. Hij stelt dat het Uwv na de vernietiging van het besluit tot intrekking van zijn AAW/WAZ-uitkering (besluit I) en de handhaving van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid gehouden was om ook de besluiten tot intrekking en terugvordering van de TW-uitkering (besluiten II en III) te herzien. Deze besluiten waren immers niet meer dan een uitvloeisel van het besluit tot intrekking van de AAW/WAZ-uitkering. Appellant meent dat gelet hierop ook het verrekeningsbesluit van 16 april 2003 onrechtmatig is. Appellant stelt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat zijn bezwaarschrift van 23 mei 2003 - al dan niet expliciet - een verzoek om terug te komen van het besluit tot intrekking van de TW-uitkering bevat.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de besluiten van 29 september 1998 tot intrekking van de TW-uitkering van appellant en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering in rechte vaststaan. De Raad onderschrijft voorts de overweging van de rechtbank dat daarmee de intrekking, de terugvordering en de hoogte van de terugvordering vaststaan en dat het besluit van 16 april 2003 tot verrekening van de vordering op appellant op goede gronden is genomen. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

De besluiten van 29 september 1998 tot intrekking van de TW-uitkering van appellant en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering zijn gebaseerd op het besluit van dezelfde datum tot intrekking van de AAW/WAZ-uitkering van appellant. De Raad is van oordeel dat deze samenhang niet met zich brengt dat deze twee besluiten niet elk voor zich, zelfstandig appellabel zijn. Deze besluiten zijn ook alle voorzien van een bezwaarclausule.Voorts wijst de Raad erop dat een besluit tot intrekking van de TW-uitkering en een terugvorderingsbesluit ook los van de intrekking van de AAW/WAZ-uitkering van appellant kunnen worden genomen, bijvoorbeeld indien appellant naast zijn AAW/WAZ-uitkering een zodanig inkomen geniet of heeft genoten dat geen recht bestaat of heeft bestaan op een aanvullende TW-uitkering. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat appellant het alleen met de terugvordering niet eens is dan wel met het bedrag daarvan; van het Uwv kan in een geval als het onderhavige niet in redelijkheid verwacht worden dat het raadt naar eventuele bezwaren van appellant.

Gelet hierop overweegt de Raad dat bepalend is dat appellant niet expliciet bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 29 september 1998 tot intrekking van zijn TW-uitkering en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dan ook terecht verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2000 waarin is overwogen dat de besluiten van 29 september 1998 tot intrekking van zijn TW-uitkering en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering in rechte vaststaan.

De Raad overweegt ten slotte dat appellant zich met de stelling dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaarschrift een verzoek aan het Uwv bevat om terug te komen van het onherroepelijk geworden besluit van 29 september 1998 tot intrekking van de TW-uitkering, buiten de omvang van het geding begeeft. Appellant heeft in beroep immers niets aangevoerd omtrent een - naar hij stelt - in het bezwaarschrift neergelegd verzoek om terug te komen van het besluit van 29 september 1998 tot intrekking van de TW-uitkering. Ook deze grief slaagt derhalve niet.

Overigens merkt de Raad nog op dat ook niet op voorhand vast staat dat appellant achteraf bezien wel recht op toeslag zou hebben gehad, nu dat onder meer afhankelijk is van de hoogte van zijn inkomsten in de betreffende periode.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x