Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ8547
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging en terugvordering van de WAZ-uitkering wegens winst uit exploitatie in maatschapsverband van een advocatenkantoor. Met na de eerste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen mag geen rekening worden gehouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/912 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2004, 04/829 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is daarbij niet verschenen en het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant exploiteert in maatschapsverband een advocatenkantoor. Bij besluit van 8 januari 2001 heeft het Uwv met ingang van 13 augustus 2000 aan appellant een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ingaande 1 oktober 2000 is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd in 65 tot 80%. Na ontvangst van de jaarstukken over 2002 heeft de arbeidsdeskundige berekend dat de aan appellant toebedeelde winst in 2002 tot gevolg heeft dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 31,43%. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 22 oktober 2003 aan appellant medegedeeld dat, onder toepassing van het bepaalde in artikel 58 van de WAZ, ingaande 1 januari 2002 zijn WAZ-uitkering wordt uitbetaald als ware hij ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Bij besluit van 2 december 2003 heeft het Uwv vervolgens een bedrag ad € 4.701,90 aan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering van appellant teruggevorderd. Het bezwaar tegen deze besluiten is bij besluit van 24 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft aangevoerd dat bij de toepassing van artikel 58 WAZ rekening moet worden gehouden met het feit dat de winst uit zijn advocatenkantoor aanzienlijk is toegenomen als gevolg van verhoging van de toevoegingsgelden. Bij de hantering van het maatmaninkomen is hiermee geen rekening gehouden. Appellant heeft zich voorts beroepen op het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad overweegt als volgt.

Voorafgaand aan de toekenning van de WAZ-uitkering is het maatmaninkomen vastgesteld aan de hand van de aan appellant toekomende winst over 1996 tot en met 1998. De uitkomst hiervan is door de arbeidsdeskundige in 2003 geïndexeerd naar het niveau van januari 2003.

Het standpunt van appellant komt erop neer dat er geen indexering van het maatmaninkomen plaatsvindt, maar dat dat inkomen wordt geactualiseerd. De artikelen 7 en 8 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) staan hieraan echter in de weg. Met na de eerste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen mag geen rekening worden gehouden. De Raad verwijst in dit verband nog naar zijn uitspraak van 31 december 1999, USZ 2000/56.

Het beroep van appellant op artikel 4:84 van de Awb slaagt evenmin. Het Uwv dient de bepalingen van voornoemd Schattingsbesluit onverkort toe te passen. Het betreft hier een algemeen verbindend voorschrift en geen beleidsregel, waarop artikel 4:84 van de Awb betrekking heeft.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x