Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ8552
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5934 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 september 2004, 04/140 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 7 december 2006, waar partijen, het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de door het Uwv, op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 4 februari 2004, gehandhaafde afwijzing van het namens appellant gedane verzoek om terug te komen van een jegens hem genomen rechtens onaantastbaar besluit van 20 juni 2002, waarbij hem uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 10 juni 1999 is geweigerd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten, aangezien appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd, zodat het Uwv bevoegd was het verzoek om terug te komen af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beslissing van 20 juni 2002.

In hoger beroep heeft appellant onder overlegging van een op 28 oktober 2004 gedateerde medische verklaring van psychiater R. van Parys, de aangevallen uitspraak bestreden.

De Raad overweegt met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak betreffende verzoeken om terug te komen van een besluit (zie hiervoor onder meer de uitspraak van 12 december 2003, gepubliceerd in USZ 2004/54, LJN AO0725) dat overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, kan in het licht hiervan geen doel treffen. De Raad merkt daarbij op dat hij aan de in hoger beroep overgelegde verklaring van behandelend psychiater Parys thans geen betekenis kan toekennen aangezien het Uwv met deze verklaring geen rekening heeft kunnen houden bij het nemen van het bestreden besluit van 4 februari 2004.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering te verwijzen naar het besluit van 20 juni 2002. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Ter voorlichting van appellant overweegt de Raad dat met het hiervoor overwogene niet is gezegd dat een, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, genomen besluit om niet terug te komen van een eerder genomen besluit niet zorgvuldig moet worden voorbereid en genomen. Die zorgvuldigheid is in geval als dit evenwel beperkt tot het antwoord op de vraag of bij het verzoek feiten of omstandigheden zijn vermeld die zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x