Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
AZ8969
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opnihilstelling van de WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. De inkomsten uit arbeid van een zelfstandige dienen te worden gesteld op de fiscale nettowinst.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5123 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 augustus 2004, 03/1541 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 8 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft N.D. Bovenkamp-Daane, werkzaam bij De Groot Heupner B.V. te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Giebels.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, die samen met zijn vrouw een detailhandel in radio/tv/audio drijft, heeft op 2 december 1998 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend, in verband met sedert 18 september 1998 bestaande rugklachten.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 september 1999 de aanvraag afgewezen onder de motivering dat appellant na het volbrengen van de wachttijd per 17 september 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is te achten. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 april 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 6 november 2001 het beroep van appellant tegen het besluit van 6 april 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 maart 2002 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 september 1999 gegrond verklaard en vervolgens bij twee afzonderlijke besluiten van 31 juli 2002 respectievelijk met ingang van 17 september 1999 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en bepaald dat met ingang van 1 januari 2000 de WAZ-uitkering niet tot uitbetaling komt, gelet op de inkomsten van appellant. Tegen het laatste besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv van een verkeerde fiscale winst is uitgegaan. Volgens appellant dient uitgegaan te worden van een bedrag van fl. 51.560,--, waarop de AA-premies in mindering moeten worden gebracht, zodat een bedrag van fl. 50451,46 resteert. Appellant stelt zich tevens op het standpunt dat de reductiefactor ten onrechte is gewijzigd naar 20/47. De reductiefactor dient volgens appellant op 20/50 te worden gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

Het door appellant genoemde bedrag van fl. 51.560,-- is in de jaarstukken over 2000 terug te vinden als het premie-inkomen waz. De Raad kan het Uwv volgen in zijn stelling dat de wet geen aanknopingspunt biedt om bij de berekening van het inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van WAZ uit te gaan van dit premie-inkomen waz. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dienen de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige te worden gesteld op (het aan betrokkene toekomende deel van) de fiscale nettowinst, zijnde in dit geval fl. 54.889,--, tenzij gesproken moet worden van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit geval dergelijke omstandigheden niet voor.

Ten aanzien van de grief over de reductiefactor merkt de Raad op dat bij het hanteren van een reductiefactor van 20/50 de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds minder dan 25% bedraagt, zodat deze grief evenmin kan slagen.

Concluderend is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x