Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA0887
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat in het bestreden besluit niet de aangevochten grondslag van de WAZ-uitkering aan de orde is, waardoor betrokkene geen procesbelang heeft in deze zaak. Terechte afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/195 WAZ, 06/4489 WAZ en 06/6009 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 28 november 2005, 05/877 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 23 juni 2006, 05/3026 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Uitspraak: 16 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft A.M.H. Hogervorst, belastingconsulente te Leiderdorp, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

In beide gedingen zijn namens appellant de gronden waarop de beroepen rusten aangevuld. Daarbij zijn tevens diverse stukken overgelegd.

Het Uwv heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak II, een besluit ingezonden van 7 augustus 2006.

Bij brief van 20 oktober 2006 heeft de griffier van de Raad aan partijen laten weten dat de Raad vooralsnog heeft besloten om bij de behandeling van het geding onder nummer CRvB 06/4489 WAZ, tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van 7 augustus 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. De gedingen zijn daar gevoegd behandeld. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele-Timmers.




II. OVERWEGINGEN


Het geding onder nummer 06/195 WAZ

Appellant was werkzaam als zelfstandige in verschillende bedrijven en heeft op 4 oktober 1999 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Daarop is bij besluit van 29 december 2000, uitgaande van 1 januari 1996 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, met ingang van 4 oktober 1998 aan appellant een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering was (voorlopig) gebaseerd op een grondslag van f 106,09. Bij besluit van 15 oktober 2001 is, in verband met de ontvangst van de jaarstukken over 1991 tot 1996, de grondslag van de uitkering definitief vastgesteld op f 24,37. Bij besluit van 11 juni 2002 is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2006, LJN AV5296, heeft de Raad het hoger beroep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het Uwv, naar aanleiding van gegevens over de inkomsten van appellant als zelfstandige over het jaar 2003, aan appellant medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAZ over het jaar 2003 ongewijzigd is en dat er geen redenen zijn de uitkering te wijzigen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 april 2005, hierna: besluit I, is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een belang bij de heroverweging van het besluit van 21 december 2004. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak I het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van appellant zich niet richt tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004. Tevens heeft zij vastgesteld dat appellant geen probleem heeft met het feit dat in verband met zijn inkomsten als zelfstandige over het jaar 2003 de uitbetaling van de WAZ-uitkering over die periode niet wijzigt. Het bezwaar van appellant is gericht tegen de vaststelling van de grondslag van de WAZ-uitkering. In dat verband merkt de rechtbank op dat in casu geen besluit aan de orde is over de grondslag van de WAZ-uitkering. Dat appellant bezwaar heeft tegen die grondslag kan in deze zaak dan ook geen belang opleveren. Het bezwaar is op die grond met recht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad onderschrijft deze overwegingen. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I is dan ook vergeefs ingesteld. Ten overvloede wijst de Raad erop dat hij in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 7 maart 2006 heeft geoordeeld dat het Uwv de grondslag van appellants WAZ-uitkering met recht heeft vastgesteld op f 24,37.



De gedingen onder de nummers 06/4489 WAZ en 06/6009 WAZ

Bij besluit van 28 augustus 2003 is aan appellant met ingang van 4 oktober 1998 een aanvulling op de uitkering ingevolge de WAZ - een zogeheten kopje - toegekend op grond van artikel 48 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Met ingang van 1 september 2003 is het 'kopje' gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 27 april 2004 heeft het Uwv het 'kopje' met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken.
Bij schrijven van 20 mei 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat het 'kopje' met ingang van 1 juni 2004 wordt ingetrokken. Bij besluit van 24 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit II, is het bezwaar van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen wordt dat bij het besluit van 27 april 2004 reeds is beslist over de beŽindiging van het 'kopje'. De brief van 20 mei 2004 is dan ook niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak II het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het bestreden besluit II ziet op een andere datum dan het besluit van 27 april 2004 en er derhalve wel degelijk sprake is van een nieuw rechtsvaststellend moment. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand afgewezen. Volgens de rechtbank kan de door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand niet worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de gemachtigde van appellant de echtgenote van appellant is en volgens vaste rechtspraak in dat geval moet worden aangenomen dat van een relatie waarin het beroepsmatig handelen voorop staat geen sprake is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de gevorderde verletkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, reeds omdat appellant niet heeft aangegeven waarop dit verlet betrekking heeft.

Blijkens het hoger beroepschrift van 29 juli 2006 is het hoger beroep van appellant (uitsluitend) gericht tegen de weigering van de rechtbank een adequate proceskostenvergoeding toe te kennen.

De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of het hoger beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht wordt zich mede uit te strekken tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak II genomen besluit van 7 augustus 2006. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 6 januari 2006, LJN AV5118, beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Dat betekent dat de Raad - in afwijking in zoverre van de brief van de griffier van 20 oktober 2006 - geen oordeel toekomt over het besluit van 7 augustus 2006.

Ten aanzien van de vordering van appellant inzake de proceskosten heeft de Raad in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om de overwegingen van de rechtbank voor onjuist te houden. Het hoger beroep is ook in zoverre vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T.L de Vries als voorzitter en H.J. Simon en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x