Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA1204
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging van de WAZ-uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode in geding. Niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/4291 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 juni 2006, 05/2371 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft daarna nog een schriftelijke reactie toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij brief van 7 januari 2003 heeft het Uwv appellant bericht dat hem van 13 januari 2002 tot 1 november 2002 te veel uitkering is uitbetaald en dat het bedrag dat appellant te veel heeft ontvangen op grond van artikel 63 van de WAZ zal worden teruggevorderd. Tevens is hem bericht dat hij over de juiste hoogte van het terug te vorderen bedrag en de manier waarop de invordering zal plaatsvinden meer informatie in de vorm van een beschikking zal ontvangen.

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het Uwv, in verband met de omstandigheid dat appellant met ingang van 13 januari 2002 inkomsten uit arbeid ontvangt, besloten om met toepassing van artikel 58 van de WAZ, appellants uitkering van 13 januari 2002 tot 1 mei 2002 uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en met ingang van 1 mei 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het Uwv over de periode van 13 januari 2002 tot 1 november 2002 een bedrag aan onverschuldigd uitbetaalde WAZ-uitkering van € 4.375,52 van appellant teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het besluit van 14 september 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2006 een gewijzigd besluit afgegeven en het bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat het bedrag dat onverschuldigd is betaald € 3.885,89 bedraagt. De rechtbank heeft onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 11 april 2006.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het beroep tegen het gewijzigde besluit van 11 april 2006 ongegrond verklaard. Tevens zijn bepalingen over de vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht gegeven. In haar uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant zijn stelling dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 januari 2003 op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De rechtbank heeft het er daarom voor gehouden dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt en overwogen dat dit met zich brengt dat het besluit van 21 januari 2003 in rechte onaantastbaar is. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat aan appellant een bedrag van € 3.885,89 onverschuldigd is betaald en heeft overwogen dat het Uwv op grond van artikel 63, eerste en vierde lid, van de WAZ verplicht is de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen tenzij er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Van dringende redenen is de rechtbank niet gebleken.

In hoger beroep heeft appellant erkend dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 januari 2003. Naar appellant stelt heeft hij dit niet gedaan omdat hij al bezwaar had gemaakt tegen de brief van 7 januari 2003. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant aangevoerd dat hem over het jaar 2001 te weinig WAZ-uitkering is uitbetaald, dat hij het Uwv daarop heeft gewezen en dat hij er van uit is gegaan dat het Uwv het bedrag aan teveel betaalde WAZ-uitkering over het jaar 2002 zou verrekenen met het bedrag dat hij over het jaar 2001 te goed had. Door de brief van 7 januari 2003 is hij erachter gekomen dat het Uwv de bedragen niet met elkaar heeft verrekend. Appellant stelt zich op het standpunt dat het, gelet op de administratieve fouten die het Uwv in het verleden heeft gemaakt, aannemelijk is dat hij een bezwaarschrift heeft ingediend, maar dat het bezwaarschrift is zoekgeraakt bij het Uwv en dat hem dat niet kan worden aangerekend. Appellant stelt daarbij als gevolg van het niet correct uitbetalen van zijn WAZ-uitkering in 2001en de terugvordering over het jaar 2002 in de financiλle problemen is geraakt. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat er, nadat het Uwv tot nabetaling van de WAZ-uitkering over het jaar 2001 is overgegaan, wederom fouten zijn gemaakt. Nabetaling heeft plaatsgevonden over de maanden maart tot en met juli 2001, terwijl de uitbetaling in de maanden juli tot en met oktober 2001 niet correct heeft plaatsgevonden.

De Raad merkt allereerst op dat hij bij de stukken geen bezwaarschrift heeft aangetroffen dat gericht is tegen de brief van 7 januari 2003. Ook bevinden zich in het dossier geen andere stukken waaruit van het bestaan van een dergelijk bezwaarschrift zou kunnen blijken. Maar zelfs indien aangenomen moet worden dat appellant naar aanleiding van de brief van 7 januari 2003 een bezwaarschrift heeft ingediend, kan hem dat niet baten. Deze brief is naar het oordeel van de Raad, immers zowel naar vorm als naar inhoud niet gericht op enig rechtsgevolg. Deze brief kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat deze brief niet vatbaar is voor bezwaar. Voorts kan uit de mededelingen in die brief en met name de zinsnede dat appellant over de juiste hoogte van het terug te vorderen bedrag en de manier waarop de invordering zal plaatsvinden meer informatie in de vorm van een beschikking zal ontvangen, niet worden afgeleid dat er reeds een besluit tot terugvordering tot stand was gekomen, dan wel dat appellant op dat moment redelijkerwijs kon menen dat een besluit van die strekking reeds tot stand was gekomen. Van een prematuur ingediend bezwaarschrift, als bedoel in artikel 6:10 van de Awb, kan dan ook niet worden gesproken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het besluit van 21 januari 2003 in rechte onaantastbaar is geworden, nu er geen rechtsmiddel is aangewend tegen dat besluit. Daarmee staat vast dat appellants WAZ-uitkering over de periode van 13 januari tot 1 mei 2002 had moeten worden uitbetaald volgens de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% en vanaf 1 mei 2002 volgens de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Aangezien appellants uitkering in die periode onverkort is uitbetaald volgens de arbeidsongeschiktheidsklasse van
80 tot 100% staat het vast dat het Uwv appellant onverschuldigd een bedrag van € 3.885,89 heeft uitbetaald.

Op grond van artikel 63, eerste lid, van de WAZ is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Op grond van het vierde lid van artikel 63 van de WAZ kan gedaagde van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Wat betreft de door appellant gestelde aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de WAZ, merkt de Raad op dat hij al eerder heeft aangegeven dat zich dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien voordoen als door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiλle gevolgen voor de betrokkene optreden. Slechts onder zeer bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden is een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd. Daarvan is de Raad in het onderhavige geval niet gebleken.

In hetgeen appellant verder nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de terugvordering achterwege had moeten laten. Daartoe overweegt de Raad dat de uit- en nabetaling van de WAZ-uitkering over het jaar 2001 los staat van de omstandigheid dat het Uwv appellant over de periode van 13 januari 2002 tot 1 november 2002 een bedrag van € 3.885,89 onverschuldigd heeft uitbetaald. Weliswaar had het, zoals regelmatig in andere zaken gebeurt, ook in de onderhavige zaak in de rede gelegen dat het Uwv zou hebben bezien of het bedrag aan te veel betaalde uitkering had kunnen worden verrekend met het bedrag aan uitkering dat het Uwv nog diende uit te betalen, maar de omstandigheid dat het Uwv dit niet heeft gedaan, maakt het voorgaande niet anders.
Ten overvloede merkt de Raad op dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat na nadere bestudering is gebleken dat aan appellant over de periode van juli tot en met oktober 2001 een bedrag van ongeveer € 4000,- bruto dient te worden nabetaald. De gemachtigde heeft verklaard dat appellant hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte zal worden gesteld. Over de periode van maart 2001 tot juli 2001 is aan appellant reeds een bedrag van ongeveer € 1.500,- bruto nabetaald.
Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x