Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA2002
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-03-2007
Soort procedure: hoger beroep en voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering. Stelt betrokkene terecht dat er door het UWV ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn kansen op de arbeidsmarkt, dat zijn medische keuring niet veel voorstelde en dat er geen medische informatie is opgevraagd bij de hartspecialist? Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat die grondslag voor onjuist moet worden gehouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 06/5876 WAZ en 06/7337 WAZ-VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:




[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 september 2006, 06/1089 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2007. Partijen zijn niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er aan voorbij gaat dat hij sinds december 2001 geen inkomen meer heeft kunnen verwerven. Evenals in beroep heeft verzoeker benadrukt dat er door het Uwv ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn kansen op de arbeidsmarkt, dat zijn medische keuring niet veel voorstelde en dat er geen medische informatie is opgevraagd bij de hartspecialist. Verzoeker heeft er op gewezen dat hij jarenlang premie heeft betaald en is van mening dat hij recht heeft op een uitkering nu hij niet meer in staat is om te werken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat die grondslag voor onjuist moet worden gehouden, en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.

Verzoeker heeft het hoger beroep niet onderbouwd met medische gegevens waaruit moet worden opgemaakt dat de verzekeringsartsen een onjuiste inschatting hebben gemaakt van zijn mogelijkheden.
Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van verzoeker met betrekking tot zijn gezondheidstoestand en mogelijkheden om arbeid te verrichten kan de voorzieningenrechter niet dat gewicht toekennen dat verzoeker daaraan gehecht wil zien.

De voorzieningenrechter merkt ten slotte op dat, hoewel verzoeker uitvoerig heeft betoogd dat hij de beoordeling als zeer onrechtvaardig ervaart, er, gelet op het feit dat hij volgens de op de relevante datum geldende wet- en regelgeving (de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) is beoordeeld, geen grond is om de weigering van het Uwv om verzoeker in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering onrechtmatig te achten. Aan het feit dat verzoeker jarenlang premies heeft betaald voor zijn verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en later voor de WAZ kan op zichzelf niet het recht op uitkering worden ontleend.

Gezien het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Verzoekers verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb dient in verband hiermee te worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het vorenstaande, voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x