Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA2096
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAZ-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Stelt betrokkene terecht dat zijn vermoeidheidsklachten onvoldoende zijn erkend, dat hij meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen en dat hij derhalve de selecteerde functies niet kan uitoefenen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/274 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 december 2004, 04/405 (hierna de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft de gemachtigde van appellant een rapport van 5 januari 2006 van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts, in het geding gebracht.

Het Uwv heeft daarop een rapport van 26 juni 2006 van L. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden.

Daarop heeft dr. Busard voornoemd gereageerd, welke reactie bij brief van 7 september 2006 aan de Raad is toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uvw heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.C. van Staalduinen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, voorheen werkzaam als zelfstandig schipper, is op 10 maart 1994 een bedrijfsongeval overkomen waarbij (een deel van) zijn rechter voet is verbrijzeld.
Per 9 maart 1995 is aan appellant, bij wie zich ook een stressstoornis respectievelijk een chronische vermoeidheid had ontwikkeld, een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv die, mede onder verwijzing naar een eerder uitgebracht rapport van J. van der Pijl, klinisch psycholoog, heeft geconstateerd dat de situatie van appellant zodanig is, dat hij de energie die hij benut voor zijn dagelijkse activiteiten ook onder bepaalde voorwaarden kan aanwenden ten behoeve van het verrichten van arbeid. Wel is daarbij sprake van beperkingen op grond van ziekte of gebrek bij het verrichten van arbeid welke beperkingen hij heeft vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens, blijkens diens rapport van 4 november 2003, een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd, waarmee deze een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies van verdiencapaciteit resteert van minder dan 25%. Bij besluit van 12 november 2003 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant per 13 januari 2004 ingetrokken.

Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft hij, kort weergegeven, aangevoerd dat zijn vermoeidheidsklachten onvoldoende zijn erkend, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat hij derhalve de selecteerde functies niet kan uitoefenen. Ter ondersteuning hiervan heeft hij een rapport in het geding gebracht van 12 december 2003 van H.C. Staverman, psychiater, die als diagnose een ongedifferentieerde somatoforme stoornis stelt (met een zogenoemde GAF-score van 70) en oordeelt dat appellant slechts voor een beperkt deel van de week belastbaar is met arbeid. Vervolgens is door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige gerapporteerd. Bij besluit van 19 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is in grote lijnen het eerder gestelde herhaald. Tevens is een rapport aan de rechtbank gezonden van 22 oktober 2004 van dr. R.C.W. Vermeulen, verbonden aan CFS-research te Amsterdam. Het Uwv heeft onder andere een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. Boomgaard van 13 juli 2004 ingezonden, waarin een uitgebreide toelichting wordt gegeven op de geselecteerde functies in relatie tot de voor appellant geldende beperkingen.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Tevens zijn bepalingen gegeven over het betalen van griffierecht en het vergoeden van proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en opgemerkt, dat de rapporten van Staverman en Vermeulen voornoemd daar niet aan afdoen: hetgeen in deze rapporten is gesteld biedt een onvoldoende geobjectiveerde en daardoor ondeugdelijke maatstaf voor de beantwoording van de vraag of en in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin der wet. Ook heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het aangevochten besluit onderschreven en vastgesteld dat de door de arbeidsdeskundige Boomgaard voornoemd gegeven toelichting op de geduide functies in diens rapport van 13 juli 2004 voldoende is te achten. Appellant moet in staat worden geacht de desbetreffende functies uit te oefenen. Nu de zojuist bedoelde toelichting eerst na afgifte van het bestreden besluit is verstrekt, dient het bestreden besluit vernietigd te worden met instandlating van de rechtsgevolgen ervan, een en ander conform de rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 november 2004, LJN AR4716).

Namens appellant is in hoger beroep hetgeen in bezwaar en in beroep was gesteld herhaald; tevens is een rapport van dr. Busard voornoemd in geding gebracht, die als diagnose een ongedifferentieerde somatoforme stoornis/CVS stelt en meent dat er wel een duurbelasting met betrekking tot het verrichten van arbeid in aanmerking genomen moet worden.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad merkt allereerst op dat, anders dan appellant suggereert, met het ziektebeeld van appellant wel degelijk rekening is gehouden, nu het Uwv heeft aangenomen dat er sprake is van op grond van ziekte of gebrek bij hem aanwezige beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Met deze beperkingen - een niet te verwaarlozen aantal van fysieke en psychische aard - is de belastbaarheid van appellant niet onderschat en evenmin bestaat er voldoende grond om appellant qua tijdsduur beperkt te achten ten aanzien van het verrichten van voor hem geschikte arbeid. Het rapport van dr. Busard voornoemd - dat in feite bestaat uit een beschrijving van het klachtenpatroon van appellant waaraan een diagnose wordt gekoppeld die reeds eerder was gesteld (en waarmee al door het Uwv rekening was gehouden) - doet aan het voorgaande niet af. Naar vaste rechtspraak van de Raad voldoet hetgeen in dit rapport (als conclusie) wordt gesteld niet aan de wettelijke maatstaven om te komen tot de vaststelling dat er sprake is van beperkingen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Ook de Raad kan derhalve de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven.

Hetzelfde geldt voor de arbeidskundige basis van dit besluit. Het in beroep overgelegde rapport van H.J. Boomgaard voornoemd, waarin per rubriek ( van de FML) en per functie een toelichting op de geduide functies wordt gegeven, moet als voldoende adequaat worden aangemerkt.

Nu het bestreden besluit eerst in beroep van een afdoende motivering c.q. onderbouwing is voorzien, is de door de rechtbank uitgesproken vernietiging alsmede het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad terzake.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x