Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA2613
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging van de WAZ-uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ wegens inkomsten uit arbeid. Bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige dient steeds als uitgangspunt te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie volledige boekjaren (onmiddellijk) vr het intreden van de arbeidsongeschiktheid, behoudens bijzondere gevallen. In de ingroeiregeling die het advocatenkantoor waaraan betrokkene was verbonden, kent, is geen bijzonder geval gelegen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3900 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 03/146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006, waar appellante - zoals aangekondigd - niet is verschenen. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadour, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellante is in 1992 als maat toegetreden tot een maatschap van advocaten. Haar inkomen als maat werd gevormd door een aandeel in de winst. De maatschap kent een ingroeiregeling, hetgeen inhoudt dat een intredende nieuwe maat in het eerste jaar 50% ontvangt van het winstaandeel van een oude maat met een stijging van 5% per jaar. In 1994 is appellante zwanger geworden van haar tweede kind. Om medische redenen ging zij per 30 oktober 1994 halve dagen werken. Op 1 januari 1995 ging haar zwangerschapsverlof in. Op 5 februari 1995 is zij bevallen. Na de bevalling heeft zij haar werk als advocaat niet meer kunnen hervatten.

Aan appellante is ingaande 30 oktober 1995 een uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet toegekend, welke uitkering met ingang van 1 januari 1998 is voortgezet als een uitkering krachtens de WAZ. Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft het Uwv met toepassing van artikel 58 van de WAZ de uitkering van appellante in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2000 betaalbaar gesteld als ware zij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

De bezwaren van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder meer overwogen dat voor de vaststelling van het maatmaninkomen wordt gekeken naar drie voltooide boekjaren vr de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, eventueel naar n of twee voltooide boekjaren indien er niet meer beschikbaar zijn. In het geval van appellante zijn, uitgaande van 3 oktober 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de voltooide boekjaren 1992 en 1993 in aanmerking genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen overwogen dat uitgangspunt is de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellante heeft de rechtbank in regelgeving, noch in jurisprudentie aanknopingspunten gezien voor de opvatting dat daarbij bedoeld is dat de datum waarop de wachttijd voor de WAZ eindigt, uitgangspunt dient te zijn. Aldus dient als uitgangspunt te worden genomen de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, zijnde de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werk tijdens de werktijd is gestaakt. In het geval van appellante is dat de datum waarop haar zwangerschapsverlof een aanvang nam, te weten 30 oktober 1994. Dat de wachttijd voor de WAZ met het zwangerschapsverlof dient te worden verlengd, zodat appellante pas per 1 januari 1996 recht heeft op een WAZ-uitkering, is naar het oordeel van de rechtbank en anders dan door appellante is betoogd niet relevant voor de vaststelling van het maatmaninkomen. Nu appellante de hoogte van haar inkomen over de jaren 1992 en 1993 niet heeft betwist, heeft de rechtbank in hetgeen door appellante is aangevoerd, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het inkomen over 2002 onjuist is berekend.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat als vertrekpunt voor het maatmaninkomen dient te worden genomen het inkomen dat zij per einde wachttijd zou hebben verdiend. Naar haar mening is in haar geval de wachttijd niet juist vastgesteld. Gelet op s Raads uitspraak van 6 juni 2003, RSV 2003/208, telt de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mee. Nu appellante 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten, is de juiste datum einde wachttijd 31 december 1995. Primair betekent dit naar haar mening dat voor haar maatmaninkomen beslissend is het inkomen dat zij in 1996 zou genieten, zijnde 70% van een gewoon winstaandeel. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat, nu er drie boekjaren zijn waarin is gewerkt, uitgegaan dient te worden van het inkomen over de jaren 1992 tot en met 1994.

De Raad is van oordeel dat bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige steeds als uitgangspunt dient te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie volledige boekjaren (onmiddellijk) vr het intreden van de arbeidsongeschiktheid, behoudens bijzondere gevallen. In de ingroeiregeling die het kantoor waaraan appellante was verbonden, kent, ziet de Raad geen bijzonder geval gelegen. Anders dan appellante kennelijk voor ogen heeft, is er bij de bepaling van het maatmaninkomen geen plaats voor het daarbij in aanmerking nemen van verwachtingen omtrent het inkomen dat zou zijn genoten, indien er geen sprake zou zijn geweest van ingetreden arbeidsongeschiktheid. Uitgaande van 30 oktober 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante, zijn in haar geval dan ook terecht de jaren 1992 en 1993 in aanmerking genomen. De door haar bepleite verlenging van de wachttijd maakt dit niet anders.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x