Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA2801
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opnihilstelling van de WAZ-uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ wegens inkomsten uit arbeid. Zijn de inkomsten uit de BV terecht aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van de WAZ?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3381 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2005, 04/2154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft M. Elfferich-van der Woude hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007.
Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde Elfferich. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork-Ebing.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als zelfstandig slager. De slagerij van appellant was ondergebracht in een besloten vennootschap (B.V.). In deze B.V. werden en worden ook import- en exportactiviteiten van levensmiddelen verricht. In de onderneming is ook de echtgenote van appellant die handelt in delicatessen, werkzaam. Wegens oogklachten heeft appellant de slagerij verkocht. Met ingang van 1 mei 2000 is appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In februari 2003 heeft het Uwv appellant verzocht alsnog de Begeleidings- en Controleformulieren over 2001 en 2002 in te vullen.
Op die formulieren heeft appellant aangegeven dat hij in 2001 en 2002 in loondienst heeft gewerkt bij de B.V. en dat hij daarvoor 3144,33 per maand bruto aan loon heeft ontvangen. Appellant zond van de B.V. ontvangen salarisstroken mee waarop deze gegevens waren vermeld.

Volgens een rapport van 30 mei 2003 van de arbeidsdeskundige M.F. van der Kleij heeft appellant, toen deze arbeidsdeskundige hem op 15 mei 2003 sprak, verklaard:

"2.2.3. Gesprek met verzekerde
Verzekerde deelt mee dat hij niet meer in het bedrijf werkzaam is maar dat er nog altijd zoveel winst uit de delicatessenzaak van zijn echtgenote komt dat het verantwoord om loon te blijven ontvangen.
Een tegenprestatie in uitvoerende zin levert hij niet, wel ondersteunt hij zijn vrouw met adviezen.
Evenzo de slager die zijn bedrijf gekocht heeft.
Verzekerd is toonaangevend op zijn vakgebied, naar eigen zeggen zelfs met internationale bekendheid.
Hij vind het begrijpelijk op grond van zijn inkomen niet voor een uitkering in aanmerking te komen."

De arbeidsdeskundige was blijkens evengenoemd rapport op basis van door eiser gegeven informatie van oordeel dat appellant voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ als minder dan 25% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

Bij besluit van 21 juli 2003 heeft verweerder medegedeeld dat de uitkering van eiser over de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2002 niet wordt uitbetaald in verband met inkomsten uit werkzaamheden waarbij niet vaststaat of de inkomsten duurzaam zullen kunnen worden verworven.

Bij besluit van 13 april 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv - onder vermelding dat bedoeld is deze periode tot 1 mei 2002 - de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, heeft de rechtbank over het bestreden besluit als volgt geoordeeld:

"Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ, wordt, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien doch wordt de uitkering niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser gedurende de periode in geding inkomsten uit de B.V. heeft ontvangen ter hoogte van 3.144,33 per maand.

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag welk deel van deze inkomsten zijn aan te merken als inkomsten uit arbeid.

De rechtbank constateert dat eiser in de door hem ingevulde inlichtingenformulieren de inkomsten heeft benoemd als loon. In de boekhouding van de B.V. staan de betalingen aan eiser ook benoemd als loon. Uit de boekhouding van de B.V. blijkt op geen enkele wijze dat de betalingen aan eiser een aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering vormen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afgaan op de door eiser verstrekte informatie. Dat eiser achteraf heeft medegedeeld dat een deel van inkomsten uit de B.V. moeten worden beschouwd als een aanvulling op de uitkering doet daar niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet inzichtelijk heeft kunnen maken dat een deel van de komsten moeten worden aangemerkt als aanvulling op de uitkering van eiser. De rechtbank heeft bij haar oordeel tevens in aanmerking genomen dat uit de door eiser overgelegde jaarrekening blijkt dat de pensioenvoorziening kennelijk niet gebruikt is voor de betaling van de blijkens de pensioenovereenkomst tussen eiser en [naam B.V.] als arbeidsongeschiktheidspensioen aangeduide uitkering. Genoemde voorziening is immers toegenomen met het bedrag aan dotatie over de boekjaren en niet afgenomen met een uitgekeerd bedrag aan arbeidsongeschiktheidspensioen. Ook hieruit kan derhalve niet afgeleid worden dat er sprake is van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering die onderdeel uitmaakt van het hiervoor genoemde bedrag van 3.144,33 per maand. Tenslotte wijst de rechtbank erop dat voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ in beginsel de hoogte van de uit arbeid verkregen inkomsten en niet de omvang van de werkzaamheden bepalend is.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht de uitkering van eiser in de periode van 1 mei 2000 tot en met 30 april 2002 niet heeft uitbetaald."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant wederom betoogd dat, in elk geval een deel, van hetgeen de B.V. aan appellant heeft uitbetaald moet worden aangemerkt als arbeidsongeschiktheidspensioen in verband met een door de B.V. met appellant gesloten pensioenovereenkomst en dus niet als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad verenigt zich met oordeel van de rechtbank die de maandelijkse betalingen van de B.V. aan appellant heeft aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Het moge zo zijn dat er een pensioenovereenkomst bestaat tussen appellant en de B.V. maar voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat die overeenkomst wat betreft de daarin opgenomen verplichting tot betaling van arbeidsongeschiktheidspensioen in de thans aan de orde zijnde periode ook daadwerkelijk tot uitvoering is gekomen door betaling van de thans in geding zijnde maandelijkse bedragen. Om die reden acht de Raad ook niet van belang of, zoals appellants gemachtigde heeft gesteld, de B.V. in haar reservering voor pensioenverplichtingen op de balans niet heeft kunnen of mogen reserveren ten behoeve van een verplichting om arbeidsongeschiktheidspensioen uit te keren, zodat aan de toeneming van die reservering geen conclusies kunnen worden verbonden.

De Raad wijst erop dat in de zich onder gedingstukken bevindende toelichting op de balansen van de B.V. per 31 december 2001 en 31 december 2002 niets wordt vermeld over het uitkeren van een arbeidsongeschiktheidspensioen aan appellant.

Voorts heeft de Raad evenals de rechtbank kunnen vaststellen dat appellant in bewuste periode enige arbeid voor de B.V. heeft verricht en dat hem zijn salaris is betaald zoals appellant op de formulieren van het Uwv heeft aangegeven en ook blijkt uit de salarisstroken.

Verder overweegt de Raad dat in elk geval op de belastingaangiften van appellant over 2000 en 2001 is aangegeven dat hij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij de B.V. ontving. Het jaarbedrag, dat toen is aangegeven, spoort met hetgeen appellant aan het Uwv als inkomsten uit arbeid heeft opgegeven.

Ook de Raad komt, gelet op een en ander, tot de slotsom dat het Uwv terecht heeft besloten appellants uitkering ingevolge de WAZ over het in geding zijnde tijdvak niet uit te betalen wegens het ontvangen van inkomsten uit arbeid in die periode.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x