Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA4848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de WAZ-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Zijn betrokkenes medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid onderschat?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2023 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2005, 04/45 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Veenstra, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 maart 2007, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was werkzaam als zelfstandig kapster. Op 6 november 2001 is zij arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 28 februari 2003 is haar per 5 november 2002 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen geweigerd aangezien haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.

Bij besluit van 5 december 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven beperkingen van appellante voor onjuist te houden. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies was de rechtbank evenwel van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering van zogeheten signaleringen en niet-matchende punten. Dit oordeel heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat het bestreden besluit niet op voldoende zorgvuldige wijze is voorbereid en een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een aantal stukken in geding gebracht, te weten een op verzoek van AMEV Schadeverzekeringen N.V. (AMEV) door F.H.R. de Man, arts-assistent orthopedie, en dr. G.R. Schaap, orthopedisch chirurg, beiden verbonden aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam opgesteld expertiserapport, gedateerd 15 november 2004, een zogeheten medisch profiel ten behoeve van arbeidskundig onderzoek, op 7 december 2004 opgesteld door de medisch adviseur van AMEV, A.J. Fransen, en een rapportage van H. Teunissen, register arbeidsdeskundige, van 26 januari 2005.

De Raad stelt voorop dat in hoger beroep slechts de medische kant van het bestreden besluit aan de orde is.

De Raad is van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond bestaat voor twijfel aan de door het Uwv - op basis van de door de verzekeringsarts M. Harbiye en de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans op 10 december 2002 en 18 november 2003 uitgebrachte rapportages - in acht genomen medische beperkingen van appellante.
Ook de door appellante in hoger beroep ingezonden rapporten hebben de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen heeft in zijn rapportage van 8 augustus 2005 gemotiveerd aangegeven dat de inhoud van deze stukken geen aanleiding geven om het eerder genomen standpunt ten aanzien van de per 5 november 2002 bestaande medische beperkingen van appellante te wijzigen. Deze stukken zien immers op de gezondheidssituatie van appellante in 2004 en er valt niet uit op te maken dat de daarin beschreven situatie zich reeds op 5 november 2002 voordeed. Aan deze stukken kan de Raad dan ook niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x