Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA6356
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de WAZ-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. De door betrokkene in hoger beroep ingebrachte medische stukken vormen geen aanleiding om van verdergaande medische beperkingen uit te gaan. Gelet op de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 25% gesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6189 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 oktober 2004, 04/452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.F.E. Kikken, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant is hierbij - met bericht - niet verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig kok/hotel-restauranthouder en is op 15 april 1999 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens darmklachten. Later heeft appellant ook gewrichtsklachten gekregen. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij het Uwv heeft appellant melding gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 november 2002 wegens gewrichtsklachten. Naar aanleiding van deze melding heeft de verzekeringsarts L. Sijben appellant op 6 november 2003 onderzocht. Op dezelfde datum heeft Sijben gerapporteerd dat de medische situatie van appellant stabiel is en dat de op 11 juni 2003 in het kader van een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarin op diverse vlakken beperkingen zijn opgenomen, nog steeds van kracht is.

Bij besluit van 10 november 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat wordt geweigerd om zijn WAZ-uitkering te herzien, op de grond dat vanaf 1 november 2002 geen sprake is geweest van een periode van 52 weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Op 21 januari 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch appellant gehoord en een rapport uitgebracht. In dit rapport is als diagnose vermeld: status na darmresectie wegens perforatie na diverticulitis en symptomatische polyatritis. Volgens Kerbusch zijn de voor appellant geldende medische beperkingen correct weergegeven in de FML van 11 juni 2003, met de kanttekening dat bij het aspect geknield of gehurkt actief zijn (rubriek 5, item 5) de normbelasting niet excessief mag worden overschreden.
Vervolgens is alsnog arbeidskundig onderzoek verricht door de arbeidsdeskundige M. Kusters, waarbij gebruik is gemaakt van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Kusters heeft aan de hand van de voor appellant vastgestelde beperkingen functies voor hem geselecteerd. In het door Kusters op 6 februari 2004 uitgebrachte rapport is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, gezien de aan deze functies te ontlenen loonwaarde, minder dan 25% bedraagt.

In vervolg op dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch appellant op 19 februari 2004 onderzocht en op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Hierin heeft Kerbusch onder meer aangegeven dat na een uitgebreid lichamelijk onderzoek geen aanleiding is gevonden om de vastgestelde belastbaarheid aan te passen.

Bij besluit van 2 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2003 ongegrond verklaard. Voorts is hierbij bepaald dat de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 11 april 2004 wordt ingetrokken.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht, dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 25% is gesteld en dat de WAZ-uitkering terecht, met inachtneming van een uitlooptermijn, is ingetrokken per 11 april 2004.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten door het Uwv in diverse opzichten te rooskleurig zijn ingeschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een rapport ingebracht van de adviserend geneeskundige H.P. Deurenberg van 14 december 2004, vergezeld van een brief van de behandelend reumatoloog dr. H.H.M.L. Houben van 1 oktober 2004 en een brief van de behandelend internist dr. C.Th.B.M. van Deursen van 15 oktober 2004. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch van 12 januari 2005 ingezonden, waarin is ingegaan op de hiervoor genoemde medische rapporten en is geconcludeerd dat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat.
Op 28 februari 2007 zijn namens appellant nog aanvullende medische verklaringen ingebracht van de behandelend reumatoloog Houben van 2 oktober 2006 en 9 februari 2007 alsmede van de behandelend internist Van Deursen van 1 februari 2007. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft uitgewezen dat de in deze stukken vermelde medische gegevens deels al bekend waren en deels betrekking hebben op een periode gelegen na de periode waarop het bestreden besluit ziet.
In hoger beroep heeft het Uwv voorts rapporten ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 8 februari 2005 en 4 januari 2007, waarin de medische geschiktheid van de voorgehouden functies is toegelicht.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant is zowel door de verzekeringsarts Sijben als de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch onderzocht. Kerbusch heeft op basis van haar onderzoek geconcludeerd dat de FML van 11 juni 2003 een juiste weergave vormt van de voor appellant geldende medische beperkingen, waarbij de belastbaarheid met betrekking tot het aspect geknield of gehurkt actief zijn door haar enigszins is aangescherpt. In het hiervoor vermelde rapport van 12 januari 2005 heeft Kerbusch gemotiveerd aangegeven dat de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken geen aanleiding vormen om van verdergaande medische beperkingen uit te gaan. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om dit standpunt in twijfel te trekken. Ook volgt de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de namens appellant op 28 februari 2007 ingezonden medische stukken.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is de Raad van oordeel dat, gezien de in hoger beroep ingebrachte rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald, de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht. Gelet op de aan deze functies te ontlenen loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht op minder dan 25% gesteld.

Eerst in hoger beroep is door het Uwv aan de hand van de genoemde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald voldoende inzichtelijk toegelicht dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluiten, dient het bestreden besluit dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Voor de in hoger beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand komt een bedrag van 322,-- voor vergoeding in aanmerking. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de door appellant in beroep gemaakte reiskosten van 12,04 en de kosten die zijn verbonden aan het uitbrengen van medische rapportages tot een totaalbedrag van 85,80.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 419,84, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x