Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ / WAO
x
LJN:
x
BA6391
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opnihilstelling en terugvordering over de periode in geding van de WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Weigering uitkering ingevolge de vrijwillige WAO-verzekering omdat betrokkene, na afloop van de wettelijke wachttijd, met ingang van de datum in geding minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Korting van de uitkering ingevolge de vrijwillige ZW-verzekering op de WAZ-uitkering. Stelt betrokkene terecht dat in de aan de weigering van WAO-uitkering ten grondslag liggende medische beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de voor hem op psychiatrische gronden bestaande arbeidsbeperkingen en dat ten aanzien van de WAZ-uitkering het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld? Is er sprake van schending van het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/620 WAZ en 05/621 WAZ




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 20 december 2004, 03/1114 en 04/716 (hierna: de aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.




II. OVERWEGINGEN


De inleidende beroepen richten zich tegen de besluiten van het Uwv van 23 mei 2003 en 18 maart 2004, waarbij hij heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) c.q. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluiten van 16 juli 2002, 19 juli 2002, 10 september 2002, 16 juni 2003 en 15 juli 2003.

Bij de besluiten van 16 juli 2002 en 16 juni 2003 heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 58 van de WAZ. In verband met de door appellant over 2000 c.q. 2001 ontvangen inkomsten uit en in verband met arbeid is de uitbetaling van de eerder aan appellant toegekende WAZ-uitkering op nihil gesteld. De als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering is teruggevorderd bij besluiten van 19 juli 2002 en 15 juli 2003.

Bij besluit van 10 september 2002 heeft het Uwv de aanvraag van appellant tot toekenning aansluitend aan de wettelijke wachttijd per 30 juli 2001 van een uitkering ingevolge de vrijwillige WAO-verzekering afgewezen, omdat hij op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Weliswaar verhinderen rugklachten hem zijn werkzaamheden als zelfstandig metaalbewerker te verrichten, maar de uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen staan er niet aan in de weg dat appellant arbeid verricht in een tiental aan hem als geschikt voorgehouden functies, waardoor een inkomensverlies van minder dan 15% optreedt.

De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten. Appellant heeft zijn werk als zelfstandig metaalbewerker wegens rugklachten met ingang van 21 oktober 1991 gedeeltelijk gestaakt. Aan hem is per 19 oktober 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Deze uitkering was ten tijde van belang gebaseerd op de WAZ en werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Vanaf eind 1998 heeft appellant werkzaamheden verricht, mede als zelfstandig betonboorder. Hij heeft zich vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en de WAO. In mei 2000 heeft hij zijn werkzaamheden in verband met rugklachten ten dele gestaakt en aan hem is ter zake, met onderbrekingen, gedurende de maximale termijn, deels in 2000, deels in 2001, ziekengeld op grond van de ZW verstrekt. Daarnaast heeft appellant over 2000 en 2001 winst genoten uit zijn onderneming.

In september 2001 heeft appellant een WAO-uitkering aangevraagd.

Over 2000 en 2001 heeft het Uwv bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ naast de door appellant over die jaren genoten winst tevens de door hem ontvangen ZW-uitkering in aanmerking genomen. Appellant bestrijdt niet dat het Uwv hiermee een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 2, aanhef en onder a, van de op artikel 58, vijfde lid, van de WAZ gebaseerde ministeriŽle Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering (de Samenloopregeling), maar betoogt dat hiermee inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel, omdat bij de anticumulatie geen rekening zou zijn gehouden met de uitkering van een particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Verder heeft appellant aangevoerd dat bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ is uitgegaan van een onjuist, te laag, maatmaninkomen. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat het in 1995 voor het laatst vastgestelde maatmaninkomen naar 2000 en 2001 had moeten worden geÔndexeerd. Ook beroept appellant zich op het door het Uwv gewekte vertrouwen dat hij op die feitelijk betaalde uitkering aanspraak had.

In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgrond herhaald dat in de aan weigering van WAO-uitkering ten grondslag liggende medische beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de voor hem op psychiatrische gronden bestaande arbeidsbeperkingen. Voor deze grond ontleent appellant steun aan de op zijn verzoek opgestelde psychiatrische expertise. Ook heeft appellant aangevoerd dat de beoordeling in dit geval ten onrechte heeft plaats gevonden aan de hand van het zogenaamde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en niet aan de hand van het Functie Informatie Systeem (FIS).

De rechtbank heeft de beroepen van appellant ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.



De toepassing van de WAO

De grief met betrekking tot de hantering van het CBBS in de plaats van het FIS slaagt reeds daarom niet, nu de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van beide systemen op minder dan 15% is c.q. zou zijn berekend. De daarop betrekking hebbende uitdraaien bevinden zich in het dossier.

Ook kan de Raad het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijven. De verzekeringsarts heeft de naar zijn mening uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen beargumenteerd beschreven. Ook de Raad is niet gebleken dat hiermee de voor appellant bestaande beperkingen zijn onderschat. De op verzoek van appellant uitgebrachte psychiatrische expertise maakt dat niet anders, nu uit dit rapport, dat dateert van december 2003, niet volgt dat appellant op de in geding zijnde datum, anders dan de verzekeringsarts heeft aangenomen, beperkingen ondervond als gevolg van een psychiatrische ziekte of gebrek.



De toepassing van de WAZ

Met de rechtbank en op de door haar gebezigde gronden is de Raad van oordeel dat het bij de beoordeling gehanteerde maatmaninkomen niet onjuist is vastgesteld. In het in eerdere jaren in aanmerking genomen maatmaninkomen waren niet ten laste van een werknemer komende premies begrepen.

Appellant heeft de vrije keuze gehad om al dan niet een vrijwillige verzekering voor de ZW af te sluiten. Er bestond voor hem geen verplichting om een dergelijke verzekering af te sluiten, hij had zich ook particulier voor het kort durende ziekteverzuim kunnen verzekeren of van iedere verzekering van dat risico kunnen af zien. De enkele omstandigheid dat de ZW-uitkering door de wetgever wel en de uitkering van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering niet voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ als inkomsten in verband met arbeid is aangemerkt waarmee appellant bij het afsluiten rekening had kunnen houden, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel te doen slagen.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor zover appellant hiermee heeft bedoeld dat over 2000 en 2001 feitelijk WAZ-uitkering is betaald, stuit het beroep af op de vaste rechtspraak van de Raad dat een zelfstandige, wiens arbeidsinkomsten pas na de sluiting van het boekjaar kunnen worden vastgesteld, rekening moet houden met de korting van die inkomsten in een later stadium. Voor zover appellant zijn beroep op het vertrouwensbeginsel stoelt op de vermelding in het besluit van 16 juli 2002 dat hij een uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% , faalt dat beroep, reeds, omdat die vermelding op een voor appellant kenbare misslag berust.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

Dit alles leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x