Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA6519
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering onder de overweging dat betrokkene met zijn beperkingen in staat is zijn werk als zelfstandig pensioenadviseur te verrichten. Stelt betrokkene terecht dat hij vanwege zijn slaapapneusyndroom met ingang van de datum in geding aanspraak op WAZ-uitkering kan maken?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3014 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2005, 04/1237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Daarna hebben partijen hun standpunt toegelicht en stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 2 februari 2004 is appellant met ingang van 24 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd. Hierbij is overwogen dat appellant met zijn beperkingen in staat is zijn werk als zelfstandig pensioenadviseur te doen.

Bij besluit van 29 april 2004, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd onder meer het volgende overwogen:

"Op grond van de stukken moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een juist medisch oordeel zijn gekomen. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder met name de klachten als gevolg van burn-out en de rugklachten. Hierbij wijst de rechtbank er op dat het niet (alleen) gaat om de gestelde diagnose, maar met name om de objectiveerbare afwijkingen en de beperkingen die daaruit voortvloeien. De verzekeringsartsen hadden de beschikking over een brief van de HSK groep van 15 april 2003 en het verslag van de psycho-expertise. De bezwaarverzekeringsarts beschikte tevens over de brief van Van Diest van 15 april 2004.

In de brief van de HSK groep van 15 april 2003 is vermeld dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van ernstige psychopathologie; uit deze brief blijkt verder dat er geen sprake is van een depressie. De Hamilton depression rating scale laat evenmin een depressief syndroom zien. Het verslag van de psycho-expertise vermeldt een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en uit dit verslag kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dat eiser niet volgens de CBBS-normaalwaarden zou kunnen functioneren. Daarbij blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts dat eiser geen medicatie gebruikt. In de brief van 15 april 2004 wordt eisers verwachting dat hij niet meer op zijn oude energieniveau zal terugkomen weliswaar onderschreven, doch hieruit blijkt evenmin dat er sprake is van objectiveerbare afwijkingen. De hiervoor genoemde informatie biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eisers beperkingen zijn onderschat. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat eisers rugbeperkingen onjuist zijn ingeschat.
Gezien het voorgaande acht de rechtbank het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig.

2.5 Op basis van de vastgestelde medische beperkingen heeft de arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden van eiser nader onderzocht. Volgens de arbeidsdeskundige is eiser geschikt te achten voor de door hem laatst verrichte arbeid van zelfstandig pensioenadviseur/DGA van een B.V.. De theoretische verdiencapaciteit werd niet vastgesteld omdat de vastgestelde belastbaarheid niet zal leiden tot ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid en daarmee niet tot een klasse van arbeidsongeschiktheid.

Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige, waarin een beschrijving van eisers eigen werk is opgenomen, blijkt dat regelmatig onder forse tijdsdruk wordt gewerkt. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting gemeld dat zij hierover nog overleg heeft gehad met de bezwaararbeidsdeskundige. Deze heeft aangegeven dat, meer nog dan een werknemer in loondienst, een directeur grootaandeelhouder zelf "de dienst" kan uitmaken en zelf de planning kan maken. Het probleem zal volgens de bezwaararbeidsdeskundige meer zijn dat eiser de neiging heeft om zijn werk perfectionistisch te willen doen, waarbij uit de psycho-expertise blijkt dat hij in het verleden kon doorslaan als het ging om regels, lijsten en details. Het zo zijn en een eventuele tijdsdruk in het werk lijken elkaar dan te versterken.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat eisers werk bij een goede planning en een goed timemanagement zonder overschrijding van de toch niet al te beperkte belastbaarheid verricht kan worden, rekening houdend met piekbelastingen welke voor kunnen komen. De bezwaararbeidsdeskundige is dan ook van mening dat eiser in staat is zijn werk in de volle omvang te verrichten.

De rechtbank is, mede gelet op de toelichting zoals die namens verweerder ter zitting is gegeven, voldoende overtuigd van de geschiktheid van eiser voor de maatmanfunctie. Geschiktheid voor de maatmanarbeid brengt, volgens vaste rechtspraak, in beginsel met zich mee dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/247 en 29 oktober 2004, gepubliceerd in USZ 2004/359. De rechtbank onderschrijft derhalve verweerders standpunt dat er geen verlies aan verdienvermogen is."

In hoger beroep heeft appellant gewezen op het bij bestaan van een slaapapneusyndroom, waardoor hij naar zijn mening vanaf 24 november 2003 aanspraak op uitkering ingevolge de WAZ kan maken.

Het Uwv neemt het standpunt in dat het vastgesteld zijn van deze aandoening in 2005 niet inhoudt dat appellants belastbaarheid op de datum in geding onjuist zou zijn vastgesteld.

De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat uit de inhoud van de in hoger beroep door appellant overgelegde brieven van de longarts J. Asin niet kan worden afgeleid dat het slaapapneusyndroom van appellant andere of ernstiger beperkingen in de belastbaarheid op de datum in geding met zich bracht dan de beperkingen die het Uwv heeft aangenomen. Zo blijkt uit die brieven dat Asin appellant van begin 2005 tot 12 april 2005 heeft behandeld en appellant geen enkele beperking heeft opgelegd wat betreft dit syndroom. Voorts schrijft Asin geen uitspraak te kunnen doen over (de mate van) arbeidsongeschiktheid en dat het zeer wel mogelijk is dat de klachten voortkomend uit dit syndroom appellant belemmeren in zijn functioneren.

De Raad acht deze opvatting met teveel onzekerheden omgeven om op grond daarvan te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat.

Daar komt nog bij dat van de kant van het Uwv erop is gewezen dat een aantal klachten zowel uit het slaapapneusyndroom als uit de door het Uwv in aanmerking genomen "burn-out" kunnen voortkomen en met die klachten is rekening gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x