Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA6635
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Verlaging van de uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ wegens inkomsten uit arbeid. Zijn het maatmaninkomen en de medische beperkingen bij het verrichten van arbeid juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/6407 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 oktober 2004, 03/867 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen. Het Uwv was vertegenwoordigd door L.A.G.G. Schoonderbeek.




II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 27 november 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat hij op en na 26 december 2000, één jaar voor datum aanvraag, minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 27 november 2002 ingestelde bezwaar gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 26 december 2000 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Voorts heeft het Uwv bepaald dat deze uitkering, onder toepassing van artikel 58 van de WAZ, wordt uitbetaald als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschikheidsklasse 45 tot 55%.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 21 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het medische dossier waarop het Uwv haar besluit baseert onvolledig is omdat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met het opvragen van medische informatie bij appellants huisarts; volgens appellant is dit onvoldoende omdat die informatie onvolledig is en had het Uwv informatie moeten opvragen bij de medisch specialisten die hem behandeld hebben. Voorts heeft appellant de Raad verzocht om de toegepaste anticumulatie met ingang van 1 maart 2002 te beëindigen. Hierbij heeft appellant aangegeven dat hij zichzelf vanaf 1 maart 2001 arbeidsongeschikt acht en dat hij zichzelf gedurende één jaar ziekengeld heeft doorbetaald conform de wettelijke voorschriften. Appellant heeft verder gesteld dat het besluit op bezwaar niet tijdig is genomen omdat hij nog steeds geen bericht heeft gehad over de grondslag van de uitkering en dat het Uwv hem ten onrechte geen wettelijke rente heeft toegekend over de nabetaalde uitkering.
Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld hoeveel de grondslag bedraagt waarnaar de uitkering wordt berekend.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat appellant zich bij nader inzien neerlegt bij de door het Uwv vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 20 september 1995. Tevens heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat appellant geen uitspraak van de Raad meer wenst over de punten wettelijke rente, ontbreken van de grondslag in het bestreden besluit en de datum waarop de anticumulatie zou moeten eindigen.
Aangegeven is dat appellant zich met name niet kan verenigen met de door het Uwv aangenomen medische beperkingen bij het verrichten van arbeid. Daarbij stelt appellant zich thans voor het eerst ter zitting op het standpunt dat zijn medische beperkingen op 26 december 2000 ten opzichte van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zijn toegenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant verwezen naar het door hem overgelegde rapport d.d. 24 maart 2003 van drs. J.J. Harms, GZ en loopbaanpsycholoog, verbonden aan de Geldergroep. Voorts heeft appellant erop gewezen dat uit de medische stukken is af te leiden dat zijn medische consumptie is toegenomen vanaf 2000. Verder kan appellant zich op één punt niet verenigen met de “vertaling” door de bezwaarverzekeringsarts van de beperkingen uit de aanvankelijk opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) naar het Functie-informatiesysteem (FIS). Tenslotte is appellant het niet eens met de in bezwaar gehanteerde berekening van het maatmaninkomen, nu in bezwaar het inkomen over 1994 niet meer werd toegerekend aan 8 maanden maar aan 9 maanden. Onder verwijzing naar de door hem over het jaar 1994 ingevulde belastingaangifte heeft appellant gesteld dat hij vanaf 1 mei 1994 - en derhalve in 1994 maar 8 maanden - als zelfstandige heeft gewerkt.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant de aangevallen uitspraak nog slechts op een beperkt aantal punten bestrijdt.

Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat 20 september 1995 moet worden aangemerkt als eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Voor wat betreft de door het Uwv in aangenomen beperkingen per datum in geding overweegt de Raad het volgende. De verzekeringsarts W.R. Roelink heeft aangegeven dat appellant is aangewezen op werkzaamheden die passen binnen de FML, en dat hiervan direct na het ongeval op 20 september 1995 in feite ook al sprake was. Naar aanleiding van het in bezwaar ingenomen standpunt (dat eerst ter zitting in hoger beroep is verlaten) dat de arbeidsongeschiktheid pas is ingetreden op 1 maart 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat de verzekeringsarts terecht 20 september 1995 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangemerkt en dat op basis van de aanwezige medische feiten er geen reden is om een pas later ingetreden arbeidsongeschiktheid op basis van lichamelijke klachten en burn-outklachten aan te nemen. De Raad is van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd twijfel te zaaien aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen.

Het standpunt van appellant dat zijn medische situatie per 26 december 2000 niet meer hetzelfde was als per 20 september 1995, wordt door de Raad als tardief aangemerkt en om die reden buiten bespreking gelaten. Bij dit oordeel heeft de Raad in aanmerking genomen dat met dit standpunt geen sprake is van een nader onderbouwen van een eerder ingenomen standpunt, maar van een standpunt dat radicaal anders is dan het tot dan toe ingenomen standpunt, waardoor het Uwv niet in de gelegenheid is geweest adequaat te reageren op dit eerst ter zitting in hoger beroep kenbaar gemaakte standpunt. Het bovenstaande geldt in gelijke mate voor de eerst ter zitting geformuleerde grief dat de opmerking van de verzekeringsarts in de FML (bij rubriek I, aspect 9, onderdeel 7) dat appellant in belangrijke mate zelf zijn werktempo moet kunnen regelen, niet correct is vertaald naar het FIS.

Ten aanzien van de niet expliciet prijs gegeven grief dat sprake is van een onvolledig medisch dossier en dat het Uwv relevante medische informatie achterhoudt, overweegt de Raad dat hij appellant daarin niet kan volgen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de van de huisarts verkregen informatie (welke informatie volgens de begeleidende brief van de huisarts inclusief alle in zijn bezit zijnde correspondentie van de specialisten is) bij zijn oordeel heeft betrokken. Niet valt in te zien dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de conclusies die daaruit zijn getrokken anders zouden hebben geluid indien rechtstreeks bij de medisch specialisten informatie zou zijn opgevraagd. Indien appellant van mening is dat de door de huisarts toegestuurde informatie onvolledig is, had het op zijn weg gelegen om die informatie aan te vullen. Dat heeft hij niet gedaan. Dat hij deze informatie wel heeft maar niet kan vinden, zoals hij ter zitting in eerste aanleg heeft gesteld, komt naar het oordeel van de Raad voor rekening en risico van appellant.

Van het achterhouden door het Uwv van relevante medische informatie - waarbij appellant met name het oog heeft op het in maart 2003 op verzoek van het reïntegratiebureau Kuijper en Van Dreumel opgemaakte rapport inzake zijn psychologische belastbaarheid - is de Raad niet gebleken. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dit rapport terecht niet ingezonden toen de rechtbank vroeg om de op de zaak betrekking hebbende stukken, nu de onderzoeken die aan dit rapport ten grondslag liggen hebben plaatsgevonden in maart 2003 en waren gericht op de reïntegratie van appellant in de toekomst, zodat niet gesproken kan worden van relevante medische informatie voor de in dit geding van belang zijnde datum 26 december 2000.

De grief met betrekking tot het maatmaninkomen is door het Uwv ter zitting weersproken. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat het feit dat in de belastingaangifte over 1994 staat vermeld dat appellant tot 30 april van dat jaar in loondienst heeft gewerkt, geenszins uitsluit dat hij al vóór die datum eveneens werkzaam kan zijn geweest als zelfstandige. Appellant heeft desgevraagd aangegeven niet (meer) te weten per welke datum hij zijn bedrijf heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Voorts heeft het Uwv gewezen op het door appellant ingevulde vragenformulier ten behoeve van de arbeidsdeskundige, waarop hij zelf heeft aangegeven dat hij vanaf 1 april 1994 werkzaam is geweest als zelfstandig informatieanalist. Het Uwv heeft geconcludeerd dat het inkomen over 1994 in bezwaar terecht is gedeeld door 9 in plaats van abusievelijk 8 maanden. De Raad kan zich met dit betoog geheel verenigen.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x