Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA7320
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daarbij heeft het UWV overwogen dat betrokkene weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat met inachtneming van die beperkingen hij geschikt is te achten voor zijn eigen werk. De rechtbank heeft nagelaten om de door haar ingeschakelde deskundige te confronteren met het naar aanleiding van zijn rapport door de betrokkene behandelende internist/hematoloog/oncoloog ingenomen, gemotiveerde en deels andersluidende standpunt.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1914 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 februari 2005, 03/375 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.M. Eringa, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Eringa voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.




II. OVERWEGINGEN


Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als directeur/grootaandeelhouder van een autobedrijf en is op 7 augustus 2001 voor zijn werkzaamheden uitgevallen met diverse klachten van lichamelijke aard, verband houdende met bij hem geconstateerde chronische lymfatische leukemie.

Bij besluit van 27 november 2002 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat appellant na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op en na 5 augustus 2002, minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was te achten voor zijn eigen werk.

Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 25 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft dr. N.P.M. Schaap, internist/hematoloog, verzocht haar als deskundige van verslag en advies te dienen omtrent de gezondheidstoestand van appellant. Schaap heeft bij rapport van 4 oktober 2004 aan dit verzoek voldaan. De bezwaarverzekeringsarts E. Khoe heeft op 11 oktober 2004 daarop gereageerd. Appellant heeft op 2 november 2004 gereageerd op het rapport van Schaap; daarbij is een commentaar overgelegd van dr. E. Böcher, de appellant behandelende internist/hematoloog/oncoloog, gedagtekend 21 oktober 2004.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, overwogen dat zij er, gelet op de consistentie in de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts en de door haar benoemde deskundige, van uitgaat dat de visie van de bezwaarverzekeringsarts de juiste is. De rechtbank heeft zich ook met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.
Het hoger beroep van appellant keert zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant kan zich met name niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de door hem ondervonden beperkingen, in het bijzonder zijn ernstige vermoeidheidsklachten, niet als een rechtstreeks gevolg van zijn ziekte kunnen worden beschouwd. Appellant heeft in dit verband gewezen op de bevindingen en conclusies van Böcher, welke tegengesteld zijn aan die van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv en de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. Appellant acht het onbegrijpelijk dat het Uwv en de rechtbank voorbij zijn gegaan aan de bevindingen van Böcher.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad eerder als zijn oordeel te kennen heeft gegeven, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 21 juli 2006 (LJN AY5328, gepubliceerd in USZ 2006/254), kan de bestuursrechter het zorgvuldig tot stand gekomen, gemotiveerde en concludente oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige in beginsel volgen, mits de deskundige zijn bevindingen en conclusies, ook na confrontatie met een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige, op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd.

De Raad moet in het onderhavige geval vaststellen dat de rechtbank heeft nagelaten om de door haar ingeschakelde deskundige te confronteren met het naar aanleiding van zijn rapport door Böcher ingenomen, gemotiveerde en deels andersluidend standpunt, als vervat in zijn commentaar van 21 oktober 2004.

Onder deze omstandigheden kon de rechtbank naar het oordeel van de Raad niet zonder hernieuwde raadpleging van haar deskundige tot een oordeel komen en hierin vindt de Raad aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 30,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 674,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Almelo;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 674,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x