Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAZ
x
LJN:
x
BA8072
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAZ-uitkering omdat betrokkene geschikt wordt geacht voor de eigen maatgevende arbeid. Stelt betrokkene terecht dat hij wegens de restverschijnselen van zowel de doorgemaakte blaaskanker als van het verkeersongeval ten onrechte in staat is geacht tot het verrichten van de eigen werkzaamheden? De CRvB ziet geen aanleiding om, zoals van de zijde van betrokkene verzocht, een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2058 WAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 februari 2005, 04/260 WAZ (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG-Nederland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere medische stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer van 7 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Voor appellant is verschenen zijn raadsman mr. Van Gestel. Tevens waren aanwezig de echtgenote en dochter van appellant. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, op dat moment werkzaam als zelfstandig pikeur/drafpaardentrainer, is in januari 1990 uitgevallen als gevolg van een ongeval met een sulky. De hem in verband hiermee toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is met ingang van 1 oktober 1995 ingetrokken, aangezien appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat hij niet langer - ten volle - geschikt werd geacht voor het eigen werk, maar wel in staat werd geacht tot het in een voltijdse omvang verrichten van verschillende loondienstfuncties. Tegen het betreffende intrekkingsbesluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Appellant is werkzaam gebleven in het eigen bedrijf, maar in een aangepaste vorm. Hij is zich gaan toeleggen op administratieve en controlerende taken, terwijl de arbeidsomvang is teruggebracht naar circa 12 uur per week.

Op 23 januari 2003 heeft appellant wederom een WAZ-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven wegens chronische pijnen en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt te zijn. Uit de omtrent appellant beschikbare medische gegevens komt naar voren dat bij hem in 1999 blaaskanker is geconstateerd, waaraan hij ook in dat jaar is geopereerd en dat hem voorts op 26 oktober 2001 een ernstig auto-ongeval is overkomen.

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 25 oktober 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAZ, daar hij geschikt werd geacht voor de eigen maatgevende arbeid.

Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 31 december 1999 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAZ, daar hij geschikt werd geacht voor de eigen maatgevende arbeid.

Bij besluit van 8 januari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv de tegen de besluiten van 20 juni 2003 en 22 september 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de voor appellant op 31 december 1999 en 25 oktober 2002 geldende beperkingen juist zijn vastgesteld. De eigen opvatting van appellant dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat, is niet aan de hand van een verklaring van een arts onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het standpunt dat appellant op beide data in geding geschikt was voor het eigen werk.

Appellant houdt in hoger beroep staande dat zijn beperkingen aanzienlijk zijn onderschat. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens appellant de verzekeringsartsen van het Uwv gevolgd en geen onafhankelijk deskundige geraadpleegd. Appellant heeft naar voren gebracht dat, nadat bij hem in februari 1999 blaaskanker was geconstateerd, hij diverse operaties gevolgd door intensieve behandelingen heeft ondergaan, waardoor hij in de jaren daarna enorme psychische dreunen heeft opgelopen. Ook stelt hij ernstige vermoeidheidsklachten te hebben overgehouden van genoemde ziekte en de daarvoor ondergane behandeling. Appellant heeft hierbij een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 2000/233.

Daarnaast heeft appellant gewezen op het hem in oktober 2001 overkomen ernstige auto-ongeval, waarbij hij zijn rug heeft gebroken en vervolgens een half jaar in een gipscorset heeft gelegen. Appellant verwijst in dit verband naar een door de orthopedisch chirurg dr. R. Deutman in het kader van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering opgesteld rapport.

Al met al is appellant de mening toegedaan dat hij, wegens de restverschijnselen van zowel de doorgemaakte kanker als van het verkeersongeval, ten onrechte in staat is geacht tot het verrichten van de eigen werkzaamheden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat tussen partijen niet in geschil is dat de maatgevende arbeid van appellant wordt gevormd door de eigen werkzaamheden zoals appellant deze in aangepaste vorm - bestaande uit het voeren van de administratie van het bedrijf en het verrichten van controlerende taken - alsmede in een aangepaste omvang van 12 uur per week is gaan/blijven verrichten nadat een eerdere uitkering ingevolge de WAZ met ingang van 1 oktober 1995 was ingetrokken.

Voorts overweegt de Raad dat hij, in navolging van de rechtbank, appellant niet kan volgen in diens opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. Wat betreft de blaaskanker merkt de Raad op - onder erkenning dat appellant een zeer ernstige ziekte heeft doorgemaakt en aannemelijk is te achten dat deze ook na genezing nog zijn sporen bij appellant heeft nagelaten - dat appellant er niet in geslaagd is aan de hand van objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat hij ten tijde hier van belang te kampen had met zodanige gevolgen - in de vorm van extreme vermoeidheid en psychische problematiek als gesteld - dat hij in het geheel niet belastbaar was met arbeid, althans aanzienlijk minder belastbaar dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. De Raad merkt hierbij nog op dat, juist bij het ontbreken van verklaringen van medici die appellant steunen in hetgeen hij stelt met betrekking tot zijn vermoeidheidsklachten, de vergelijking met het in RSV 2000/233 berechte geval niet opgaat.

Ook wat betreft de ernstige rugklachten die appellant stelt te ondervinden als gevolg van het meergenoemde verkeersongeval ontbreekt een toereikende objectief-medische onderbouwing. Die onderbouwing is ook niet te vinden in het rapport van de orthopedisch chirurg Deutman. Die arts geeft, voor zover hier van belang, aan dat ten aanzien van appellant sprake is van beperkingen met betrekking tot rugbelastende activiteiten. Dat oordeel verschilt niet wezenlijk van dat van de verzekeringsartsen van het Uwv, aangezien ook deze artsen zijn uitgegaan van zekere beperkingen bij appellant ten aanzien van rugbelastende activiteiten, maar het verrichten van rugsparende arbeid wel mogelijk achten.

De Raad overweegt in dit verband ten slotte dat hij geen aanleiding heeft de bezwaarverzekeringsarts Zwemer niet ook te volgen in diens oordeel dat ook de overige in hoger beroep namens appellant ingezonden medische rapporten en verklaringen geen medische feiten of omstandigheden bevatten die nog niet zijn meegewogen.

Nu de Raad aldus tot het oordeel komt dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, bestaat er geen aanleiding om, als van de zijde van appellant verzocht, een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat appellant ten tijde hier van belang terecht in staat is geacht tot het verrichten van de eigen maatgevende arbeid. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het gaat om - in een beperkte omvang verrichte - niet fysieke en voldoende rugsparend te achten werkzaamheden.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAZ | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x