Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AA8517
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van een traplift, maar betrokkene kan wťl in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding. De afwijzing is onder meer gebaseerd op het standpunt dat de gevraagde traplift, welke betrekking heeft op de gemeenschappelijke toegangstrap naar de woning, niet valt onder de in de gemeentelijke verordening limitatief opgesomde woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten waarvoor een financiŽle tegemoetkoming kan worden verleend.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 98/6220 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

  en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 30 januari 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van het besluit, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Geertruidenberg (hierna: Verordening), inhoudende dat de gevraagde traplift is afgewezen, maar dat appellant wťl in aanmerking kan komen voor een verhuiskostenvergoeding.

Het tegen voormeld besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 5 juni 1997 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft het tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 18 juni 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. G.S. de Haas, advocaat te Raamsdonksveer, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.S. de Haas, voornoemd, als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door J.A.C. Helmonds, werkzaam bij de gemeente Geertruidenberg.




II. MOTIVERING


De feiten welke de rechtbank als vaststaande heeft aangenomen, vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit geding.

Het bestreden besluit is onder meer gebaseerd op het standpunt dat de gevraagde traplift, welke betrekking heeft op de gemeenschappelijke toegangstrap naar de woning, niet valt onder de in artikel 2.14, onder a tot en met f, van de Verordening voorzieningen gehandicapten limitatief opgesomde woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten waarvoor een financiŽle tegemoetkoming kan worden verleend.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat de gevraagde voorziening betreft de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Verordening.
Nu de gevraagde voorziening niet wordt vermeld in artikel 2.14 van de Verordening, kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder op juiste gronden met verwijzing naar dat artikel de strekking van de gevraagde voorziening heeft geweigerd. Hieraan doet niet af dat de medegebruiker van de gemeenschappelijke ruimte heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het aanbrengen van een traplift. Hieraan doen evenmin af de door eiser gestelde belangen bij het aanbrengen van de traplift, nu artikel 2.14 geen ruimte laat voor de door eiser gewenste belangen afweging.
Door eisers gemachtigde is ter zitting gesteld dat de tekst van artikel 2.14 van de Verordening niet dwingt tot het daarin lezen van een limitatieve opsomming van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat het enkele feit dat het woord "limitatief" niet in de tekst is opgenomen, niet tot de conclusie voert dat de opsomming van de daar genoemde voorzieningen naar willekeur kan worden uitgebreid. Genoemd artikel behelst immers de uitdrukking van het beleid dat verweerders gemeente op dit punt wenst te voeren en geeft in dat licht dan ook aan dat verweerders gemeente de voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte heeft willen beperken tot de daar genoemde.
Voorts is door eisers gemachtigde ter zitting gesteld dat verweerder te dezen gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 7.1, tweede lid, van de Verordening, door na te laten advies te vragen.
In artikel 7.1, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders advies vragen aan een daartoe door hen aangewezen adviesinstantie onder meer indien de aanvraag mede betrekking heeft op een woningaanpassing, waarvan de kosten meer zullen bedragen dan f 2.000,--.
De rechtbank kan eisers gemachtigde hierin niet volgen.
Waar verweerder van oordeel is dat de aanvraag reeds op grond van artikel 2.14 van de Verordening dient te worden afgewezen is een adviesaanvraag als bedoeld in artikel 7.1 naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde."

Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Hetgeen daartoe - goeddeels bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - namens hem in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat gedaagde bij de toekenning van woonvoorzieningen een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen woningen met een gemeenschappelijke toegangsruimte en andere woningen, dat de zinsnede in artikel 2.14 van de Verordening niet noopt tot een limitatieve interpretatie, dat gedaagde ten onrechte heeft verzuimd advies in te winnen omtrent de aanvraag van appellant en dat gedaagde eveneens ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast.

Zijdens gedaagde is bij verweerschrift onder meer aangevoerd:

"Het gegeven dat woonvoorzieningen kunnen worden getroffen in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) betekent niet dat dit zonder grenzen kan gebeuren. Zo bepaalt artikel 1.2, lid 1 sub c van de Verordening dat alleen een voorziening wordt toegekend indien deze de goedkoopst adequate voorziening is. En artikel 2.4 van de verordening bepaalt dat bij woonvoorzieningen het primaat van de verhuizing wordt gehanteerd. Dat wil zeggen dat als verhuizen naar een (meer) geschikte woning goedkoper is dan aanpassen, in principe daarvoor gekozen wordt. Dit alles is juist bedoeld om met de beschikbare middelen zo veel mogelijke voorzieningen te kunnen treffen.
Zeer bewust is daarbij gekozen voor het weglaten van een lift uit het rijtje te treffen voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte. Juist vanwege het gemeenschappelijke karakter van deze ruimte betekent het dat ook anderen dan betrokkene toegang tot die ruimte (kunnen) hebben hetgeen betekent dat niet met een standaardlift volstaan zou kunnen worden. Veelal dient een lift in een gemeenschappelijke ruimte voorzien te worden van extra beveiligende maatregelen zoals afsluitmogelijkheden, weersbestendigheid, etc.
Vanwege deze (soms aanzienlijke) hogere kosten is er voor gekozen deze voorziening uit te sluiten. Het is derhalve juist voor een eerlijke toedeling van middelen dat de limitatieve opsomming geen traplift kent."

Noch in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, noch overigens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

De Raad is van opvatting dat in artikel 2.14 van de Verordening, mede gelet op de daarbij door het gemeentebestuur van Geertruidenberg - in afwijking van de zogenoemde modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten - bewust gekozen stringente formulering, sprake is van een limitatieve opsomming van een zestal woningaanpassingen aan een gemeenschappelijke ruimte, en dat de door appellant gevraagde traplift niet onder die limitatieve opsomming valt.
De omstandigheid dat gedaagde er voor gekozen heeft geen trapliften aan gemeenschappelijke trappen te financieren, vanwege de daarmee gepaard gaande (technische) problemen en substantiŽle kosten, acht de Raad, mede gelet op de krachtens de Wvg aan de gemeentelijke regelgever toegekende beleidsvrijheid alsmede de in de Verordening voor situaties als de onderhavige neergelegde alternatieve voorziening, bestaande uit het zogenoemde primaat van de verhuizing, in beginsel niet in strijd met de in de Wvg neergelegde bepalingen waarbij de Raad evenwel opmerkt dat uit die bepalingen voortvloeit dat het gemeentebestuur niet voorbij mag gaan aan omstandigheden die in een concreet geval de realisering van voormeld primaat (zouden kunnen) belemmeren.
Nu gedaagde appellant een verhuiskostenvergoeding en driemaal een adequate woning heeft aangeboden, kan niet worden gezegd dat gedaagde ten opzichte van appellant onvoldoende aan haar zorgplicht in het kader van de Wvg heeft voldaan.

Met betrekking tot het door appellant bestreden onderscheid tussen gehandicapten die over een woning beschikken met een gemeenschappelijke toegangsruimte en gehandicapten die een woning hebben met een eigen toegangsruimte, verwijst de Raad naar hetgeen gedaagde in dat verband in hoger beroep bij verweerschrift heeft opgemerkt. Bezien in het licht van de met de Wvg en de Verordening beoogde doelmatige verdeling van - doorgaans schaarse - woningvoorzieningen over de in de gemeente woonachtige gehandicapten en voorts gelet op meergenoemde in de Verordening neergelegde alternatieve voorziening bestaande uit verhuizing naar een adequate woning met de daarbij behorende forfaitaire vergoeding, vormen de door gedaagde genoemde beweegredenen voldoende objectieve rechtvaardiging voor het onderhavige onderscheid. Reeds op deze grond faalt de onderhavige grief.

Met hetgeen de rechtbank heeft overwogen naar aanleiding van de grief dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten advies te vragen als bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, van de Verordening, kan de Raad zich geheel verenigen, zodat ook die grief faalt.

Tot slot merkt de Raad nog op dat het feit dat gedaagde in dit geval geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de hardheidsclausule toe te passen, de (beperkte) toetsing van de Raad kan doorstaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 1999.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A.M. Overbeeke.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x