Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AA8798
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-08-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering vergoeding van kosten van woningaanpassing en toekenning van een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten van f 5000,-, welke betaalbaar wordt gesteld zodra een woning is toegewezen. Daartoe is overwogen dat in de gemeentelijke Wvg-verordening het primaat bij verhuizing is gelegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/9851 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

  en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 14 maart 1996 heeft gedaagde aan appellant mededeling gedaan van het besluit tot afwijzing van diens aanvraag, ertoe strekkende om hem ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten Meppel 1996 (nader te noemen de Verordening) in aanmerking te brengen voor vergoeding van kosten van aanpassing van de door hem gehuurde woning.

Gedaagde heeft de bezwaren van appellant tegen dat besluit bij het bestreden besluit van 18 juni 1996 ongegrond verklaard.

De president van de Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 13 augustus 1996 (de aangevallen uitspraak) een terzake van het bestreden besluit gedaan verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Van die uitspraak is betrokkene, wat betreft de ongegrondverklaring van zijn beroep, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 21 februari 1997 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 1997, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. de Leest, advocaat te Utrecht, als zijn raadsman, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door T. Nienhuis, werkzaam bij de gemeente Meppel, alsmede drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Namens gedaagde heeft drs. Peters voornoemd in een schrijven, met bijlagen, van 21 februari 1998 vervolgens een aantal door de fungerend president van de Raad gestelde vragen beantwoord.

Bij brief van 23 maart 1998 is zijdens appellant op voormeld schrijven gereageerd, waarna vanwege gedaagde onder dagtekening 20 april 1998 commentaar op die brief is gegeven.

Partijen hebben bij brieven van 19 en 27 mei 1998 toestemming gegeven nadere behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Op 3 januari 1996 heeft appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten van aanpassing van de door hem gehuurde woning, omdat hij door verminderde mobiliteit niet meer zelfstandig de bovenverdieping zou kunnen bereiken. Onder dagtekening 31 januari 1996 is door een arts van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidwest-Drenthe (GGD) een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat er een indicatie bestaat voor een woningaanpassing in de vorm van een traplift, verhoogd toilet en een opklapbaar douchezitje.

Bij besluit van 14 maart 1996 is appellants aanvraag om vergoeding van de kosten van woningaanpassing afgewezen maar is aan hem wel een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten van f 5.000,-- toegekend, welke betaalbaar wordt gesteld zodra een woning is toegewezen. Daartoe is overwogen dat in de Verordening het primaat bij verhuizing is gelegd. Gedaagde acht de door appellant bewoonde woning, gelet op het GGD-advies, niet voor hem geschikt, terwijl er in dezelfde straat een gelijkwaardige woning tegen een huurprijs van f 784,-- per maand vrijkomt met een slaapkamer en badkamer op de begane grond, welke woning voldoet aan de eisen van het medisch advies en waarbij bovendien de mogelijkheid van handhaving van de bestaande mantelzorg en sociale contacten in de directe woonomgeving aanwezig is.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door gedaagde bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak is in hoofdzaak overwogen dat gedaagde in casu terecht een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting heeft beschouwd als een goedkopere adequate voorziening dan het vergoeden van de kosten van aanpassing van appellants woning, zodat aan het in de Verordening neergelegde verhuisprimaat een juiste toepassing is gegeven. Bij die uitspraak is daarom het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is van de kant van appellant aangevoerd dat het gemeentebestuur weliswaar in het algemeen mag volstaan met toekenning van de goedkoopste adequate voorziening, doch in casu in onvoldoende mate de belangen van appellant heeft afgewogen tegen het belang van de gemeente. Hij heeft in dat verband onder meer betoogd dat het verschil tussen de kosten van woningaanpassing enerzijds en een verhuiskostenvergoeding anderzijds voor de gemeente slechts marginaal is. Voorts heeft appellant benadrukt dat verhuizing naar de door gedaagde bedoelde woning voor hem tot gevolg zou hebben dat hij maandelijks f 120,-- meer aan huur moet gaan betalen, waar in dit geval - in verband met de hoogte van appellants inkomen - geen recht op huursubsidie tegenover staat.

Na heropening van het onderzoek na de zitting van de Raad op 10 oktober 1997 is vanwege gedaagde bij de onder I vermelde brief van 21 februari 1998 uiteengezet - samengevat - dat in zijn visie van het primaat van de verhuizing afgeweken zou moeten worden indien de huurlastenstijging als gevolg van een verhuizing niet blijft binnen de voor betrokkene ingevolge de Regeling inzake financiŽle tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg (nader te noemen de Regeling) geldende draagkracht, zij het dat naar gedaagdes opvatting bij de toetsing aan de draagkracht een redelijk deel van de woonlastenstijging buiten beschouwing kan worden gelaten indien er na de verhuizing sprake is van verhoging van het woongenot in vergelijking met de verlaten woning en bovendien de hoogte van de nieuwe huur gezien het inkomen als algemeen gebruikelijk is te beschouwen.

Van gedaagdes kant is in verband daarmee berekend dat, uitgaande van de Regeling zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, de draagkracht van appellant f 570,-- op jaarbasis bedroeg, zodat deze door een huurverhoging van f 120,-- per maand (hetgeen overeenkomt met f 1.440,-- per jaar) met een bedrag van f 870,-- zou worden overschreden. Desondanks stelt gedaagde bij laatstvermelde brief dat hij geen reden aanwezig acht om af te wijken van het primaat van de verhuizing, nu de woning waarheen appellant had kunnen verhuizen, groter was dan het door hem bewoonde huis, en appellant voorts, gelet op zijn inkomen in relatie tot de geldende huursubsidietabellen (waar hij juist buiten viel), een huur van ten minste f 1.007,50 per maand zou moeten kunnen betalen.

Hetgeen appellant in zijn reactie op de zojuist weergegeven uiteenzetting van gedaagde naar voren heeft gebracht, houdt voornamelijk in dat hij de door gedaagde geschetste redenen om in zijn geval voorbij te gaan aan de geconstateerde draagkrachtoverschrijding onvoldoende zwaarwegend acht. Zulks allereerst vanwege de omstandigheid dat appellant, mede gelet op zijn gezinssituatie, in het geheel geen behoefte heeft aan een woning die groter is dan zijn huidige, zodat er voor hem geen sprake is van een relevant hoger woongenot. Voorts is zijnerzijds gesteld dat hij diverse andere medische uitgaven heeft die op zijn draagkracht in mindering zouden moeten worden gebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Het gemeentebestuur van Meppel heeft ten aanzien van woonvoorzieningen in artikel 6 van de Verordening het primaat van de verhuizing vastgelegd, hetgeen blijkens het tweede lid van die bepaling betekent dat een gehandicapte in beginsel slechts voor een vergoeding van de kosten van woningaanpassing in aanmerking komt, indien een voorziening in de vorm van een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten niet te realiseren is of niet de goedkoopst adequate oplossing is. In het derde lid van artikel 6 van de Verordening is bepaald dat van het tweede lid kan worden afgeweken indien er sprake is van buiten de persoon gelegen ingrijpende maatschappelijke omstandigheden.

Uit het stelsel van artikel 6 van de Verordening vloeit voort dat een vergoeding voor noodzakelijke woningaanpassingen die hoger zou zijn dan de voor de gemeente aan een mogelijke verhuizing verbonden kosten - welke in casu het forfaitaire bedrag van f 5.000,-- belopen -, slechts mogelijk is, als zich belangen aan de zijde van de betrokken gehandicapte tegen verhuizing verzetten welke dusdanig zwaar wegen dat deze meebrengen dat verhuizing niet als adequate oplossing is te beschouwen dan wel sprake is van omstandigheden als aangegeven in het derde lid van die bepaling.

De Raad acht het aldus in de Verordening vormgegeven primaat van de verhuizing als zodanig niet in strijd met de uit de artikelen 2 en 3 van de Wvg voortvloeiende zorgplicht om verantwoorde woonvoorzieningen voor gehandicapten aan te bieden, reeds omdat in het stelsel van de Verordening de randvoorwaarde is opgenomen dat er steeds een voor de betrokken gehandicapte adequaat te achten oplossing van diens woonproblematiek tot stand komt.

Nu de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van woningaanpassing in casu minimaal f 13.000,-- zouden bedragen, hetgeen bepaald meer dan een marginaal verschil met de kosten van een tegemoetkoming in verhuiskosten oplevert, stelt de Raad vervolgens vast dat de gevraagde vergoeding van die woningaanpassing zeker niet de goedkoopste voorziening is.

De Raad is voorts niet gebleken van belangen van medische aard die zich verzetten tegen verhuizing naar de aangeboden woning. De van appellants kant in dit verband aangevoerde belangen van praktische en sociale aard kan de Raad niet als zwaarwegend aanmerken, waar het gaat om verhuizing naar een ongeveer 150 meter verderop in dezelfde straat gelegen woning.

Onder respectering van de aanvaardbaarheid van het verhuisprimaat als zodanig en onder erkenning van het belang van gedaagde bij handhaving daarvan, acht de Raad evenwel de omstandigheid dat door verhuizing naar de bedoelde woning appellants huurlasten met f 1.440,-- per jaar zouden stijgen, in het onderhavige geval dusdanig zwaarwegend dat deze dient te leiden tot het maken van een uitzondering op dat primaat als vorenomschreven.

De Raad merkt in dit verband allereerst op dat de betekenis van deze lastenstijging voor appellant nog wordt geaccentueerd enerzijds door de reŽle kans dat hij naast de voormelde stijging van zijn woonlasten geconfronteerd wordt met kosten van verhuizing en herinrichting welke aanmerkelijk hoger zijn dat de forfaitaire tegemoetkoming van f 5.000,-- en anderzijds door de constatering dat, indien appellants aanvraag om vergoeding van de kosten van woningaanpassing zou zijn gehonoreerd, zulks in het stelsel van de gemeente Meppel voor hem tot geen enkele stijging van woonlasten of tot andere kosten zou hebben geleid.

Doorslaggevend acht de Raad dat, indien voormelde woonlastenstijging in haar geheel wordt onderworpen aan toetsing aan de draagkrachtnormen van de Regeling, het er op basis van de door gedaagde uitgevoerde berekening voor moet worden gehouden dat die extra kosten -nog daargelaten of er andere kosten als gevolg van de handicap in aanmerking genomen zouden moeten worden- de ten tijde van het bestreden besluit geldende draagkracht van appellant met f 870,-- per jaar overschrijden.

De Raad is van oordeel dat gedaagdes betoog, erop neerkomende dat de door de verhuizing voor appellant optredende huurlastenstijging bij de draagkrachttoetsing niet (geheel) in aanmerking moet worden genomen in verband met een gestelde toename van appellants woongenot, niet tot het door gedaagde beoogde resultaat kan leiden. Mede gelet op de geschiedenis van totstandkoming van en de toelichting bij de Regeling zou de Raad onder omstandigheden slechts dan ruimte voor de door gedaagde gewenste conclusie zien, in geval er voor de betrokkene onmiskenbaar sprake zou zijn van een daadwerkelijke substantiŽle verhoging van het woongenot. De Raad is echter van oordeel dat zich een dergelijk geval in casu niet voordoet. Uit de voorhanden zijnde gegevens komt namelijk naar voren dat - naar ter zitting ook zijdens gedaagde is betoogd - de nieuwe woning, behoudens de aanpassing aan de handicap, van nagenoeg gelijke omvang en indeling is als de oude woning.

De Raad komt op basis van het vorenoverwogene tot de slotsom dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar hebben te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. De aangevallen uitspraak komt derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.775,-- in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagdes gemeente dient te worden vergoed.

Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.775,--, te betalen door de gemeente Meppel;
Verstaat dat de gemeente Meppel aan appellant het gestorte recht van in totaal f 200,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 1998.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. Nieuwenhuis.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x