Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AE1159
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-01-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel, onder de overweging dat betrokkene ten tijde in geding verbleef in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ was toegelaten, dan wel een daarmee gelijk te stellen instelling, en dat het gemeentebestuur voor gehandicapten die in zulk een instelling verblijven op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg geen zorgplicht heeft. Is er sprake van schending van artikel 26 van het IVBPR?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4667 WVG




U I T S P R A A K




In het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij primair besluit van 23 april 1998 heeft gedaagde afwijzend beslist op de aanvraag van appellant van 26 juni 1997 om hem op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een elektrische rolstoel.

Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 7 juli 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij uitspraak van 20 juli 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. J.A. Tromp-Werkema, advocaat te Sneek, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. De gronden van het verweer zijn bij brief van 26 november 2001 aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 2001. Appellant is daar met kennisgeving niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen partijen niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren [in] 1970, is meervoudig gehandicapt en geÔndiceerd voor opname in een AWBZ-instelling. Tengevolge van wachtlijsten is deze indicatie niet gerealiseerd. Hij is sedert 1992 woonachtig in een wooneenheid (sociowoning) aan de [straat] te [woonplaats], bestaande uit twee geschakelde woningen en een nabijgelegen losse woning, die zijn aangepast op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze wooneenheid staat in een normale woonwijk. Zij is een dependance van "[X.]", een door de Stichting [Y.] Zorg te [plaats] geŽxploiteerde woonvoorziening voor verstandelijk gehandicapten, te [woonplaats]. "[X.]" is op grond van artikel 8 van de AWBZ toegelaten als zwakzinnigeninrichting als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering met een capaciteit van 82 plaatsen.
In de wooneenheid wonen acht verstandelijk gehandicapten; zorg en verblijf van vijf van hen wordt op grond van de AWBZ gefinancierd; zorg en wonen van de drie anderen worden - naar namens appellant is gesteld: onverplicht - bekostigd uit het zogeheten Zorgvernieuwingsfonds, ook wel genoemd "2% regeling". Stichting [Y.] huurt de woningen van een woningcorporatie. De acht bewoners wonen er niet uit hoofde van een eigen (onder)huurovereenkomst. Zij koken zelf en doen zelf hun boodschappen. Zorg en begeleiding ontvangen zij allen vanuit "[X.]".

De door appellant aangevraagde elektrische rolstoel strekt tot vervanging van de in 1989 op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel die naar zijn oordeel versleten is.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant ten tijde in geding verbleef in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ was toegelaten, dan wel een daarmee gelijk te stellen instelling, en dat het gemeentebestuur voor gehandicapten die in zulk een instelling verblijven op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg geen zorgplicht heeft. De financieringsbron van het verblijf - AWBZ of een andere bron - is naar het oordeel van gedaagde niet van belang.

Appellant heeft bij de rechtbank naar voren gebracht dat hij zelfstandig woont en niet in een AWBZ-instelling is opgenomen. Zijn verblijf in de woning [straatnaam] wordt niet op grond van de AWBZ bekostigd. Hij bewoont de woning samen met twee andere bewoners. De zorg die wordt geboden is anders van aard dan bij een intramurale voorziening en is vergelijkbaar met die in een gezinsvervangend tehuis. Hij heeft naar zijn mening, anders dan de medebewoners wier verblijf op grond van de AWBZ wordt bekostigd, geen recht op AWBZ-verstrekkingen in natura. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat zijn elektrische rolstoel noch ten laste van de AWBZ, noch ten laste van de Wvg kan worden gebracht, stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR).

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe - appellant als eiser aanduidende en gedaagde als verweerder - het volgende overwogen:
"Uit de beschikbare gegevens blijkt dat eiser weliswaar binnen [X.] verzorging en begeleiding ontvangt, maar niet uit hoofde van een erkende gefinancierde plaats. Er is namelijk geen ruimte aanwezig voor zo'n erkende plaats.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beschikbare gegevens voldoende komen vast te staan dat [Y.] de woning van eiser van een woningcorporatie huurt en deze vervolgens aan (onder anderen) eiser ter beschikking stelt. Eiser heeft geen zelfstandig huurcontract met een woningbouwcorporatie en heeft niet de mogelijkheid om huursubsidie te verkrijgen; wonen en zorg worden gezamenlijk gefinancierd. Huisvesting en voeding worden eiser voorts zodanig in rekening gebracht dat per saldo een vrij besteedbaar bedrag overblijft gelijk aan de hoogte van de AWBZ-zak- en kleedgeldvergoeding. Voldoende aannemelijk is dat anderen dan mensen met een AWBZ-indicatie niet in de desbetreffende woning mogen wonen. Mede gelet op het feit dat een aantal medebewoners wel rechtstreeks op grond van de AWBZ wordt gefinancierd, kan ook eisers woning niet anders gezien worden dan als een onderdeel van [X.]. Deze instelling is op grond van art. 8 AWBZ erkend als zwakzinnigeninrichting.
De rechtbank is gelet op alle beschikbare gegevens dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een zelfstandig wonen door eiser en dat in eisers geval een vergelijking met de situatie, die aan de orde was in de uitspraak van de rechtbank, gepubliceerd in JSV 1998/191, en de uitspraak van de CRvB, gepubliceerd in RSV 1999/295, niet kan worden gemaakt. Met andere woorden, niet gezegd kan worden dat eiseres woonsituatie niet in relevante mate verschilt van die waarin een gehandicapte een willekeurige, eventueel aangepaste woning bewoont en daardoor wel valt onder de zorgplicht van de Wvg.
Voorts overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar geen erkende AWBZ-plaats heeft - namens eiser wordt gesproken van een "grijze of zwarte plaats" en van een "min of meer getolereerd" worden - maar dat de gelden die op grond van het zorgvernieuwingsfonds voor de zorg voor eiser beschikbaar zijn, wel uit de AWBZ-fondsen afkomstig zijn. Geconcludeerd moet dus worden dat het verblijf van eiser in de AWBZ-instelling toch, zij het op een andere wijze, voor rekening van de AWBZ komt.
Eiser moet naar het oordeel van de rechtbank geacht worden te verblijven in een AWBZ-instelling als bedoeld in art. 2 lid 2 Wvg. Toekenning van een rolstoel op grond van art. 1 lid 2 van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen is, nu eiser geacht moet worden te verblijven in een erkende zwakzinnigeninrichting, niet mogelijk. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerders gemeente op grond van art. 2 lid 2 Wvg jegens eiser geen zorgplicht heeft.
Het namens eiser gedane beroep op art. 26 van het IVBPR dient ten slotte naar het oordeel van de rechtbank te falen. De rechtbank vermag niet in te zien dat art. 2 lid 2 Wvg wegens strijd met voornoemde IVBPR-bepaling buiten toepassing zou moeten worden gelaten. De rechtbank is namelijk, mede gelet op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, niet gebleken dat er in deze bepaling ten aanzien van het verstrekken van voorzieningen als thans in geding een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen die wel en die niet in een AWBZ-inrichting verblijven. Dat er kennelijk een lacune in de regelgeving bestaat, waardoor vanuit de AWBZ geen rolstoel aan eiser is verstrekt, doet daaraan niet af."

Namens gedaagde is in hoger beroep benadrukt dat de sociowoning van appellant een gewone huurwoning is in een gewone woonwijk, die niet in de nabijheid van de instelling is gelegen. Het begrip "verblijf in een AWBZ-instelling" dient naar zijn oordeel restrictief te worden uitgelegd. Dat de huurpenningen door de Stichting [Y.] worden voldaan doet hieraan niet af. Voorts is aangevoerd dat de bewoners met een grote mate van zelfstandigheid wonen, terwijl daarvan bij de bewoners van "[X.]" geen sprake is. Er wordt in de sociowoningen beperkt zorg verleend en de zorg is van andere aard. Deze woningen zijn dan ook eerder onder te brengen bij de categorie gezinsvervangende tehuizen dan bij de categorie AWBZ-instellingen. De beperkte zorg die de instelling verleent vanuit het zorgvernieuwingsfonds kan het gemeentebestuur naar zijn oordeel niet ontheffen van zijn zorgplicht ingevolge de Wvg. Er mag niet aan worden voorbijgegaan dat deze zorg onverplicht wordt verleend en dat er geen directe financiering is vanuit de AWBZ. Ten slotte is aangevoerd dat indien de aangevraagde elektrische rolstoel noch ten laste van de AWBZ kan worden gebracht, noch ten laste van de Wvg, sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Zowel gehandicapten die in een AWBZ-instelling verblijven als zij die volledig zelfstandig wonen hebben immers recht op zulk een voorziening; de eerste categorie ten laste van de AWBZ, de tweede ten laste van de Wvg. Gehandicapten die in een sociowoning wonen zouden echter tussen de wal en het schip vallen.

Gedaagde heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat Wvg-voorzieningen slechts zijn bedoeld voor zelfstandig wonende gehandicapten. Hij stelt zich op het standpunt dat zowel een sociowoning als een gezinsvervangend tehuis tot de categorie instellingen behoort die krachtens artikel 8 van de AWBZ zijn toegelaten en waarvoor geen Wvg-zorgplicht geldt. Voorts is aangevoerd dat de kern van het probleem hierin is gelegen dat het niet de bedoeling is geweest om met behulp van een persoonsgebonden budget of zorgvernieuwingsgelden de capaciteit van toegelaten instellingen uit te breiden. Weliswaar zijn met behulp van deze fondsen tussenvormen van zorg en bewoning ontstaan, maar daar is bij de wettelijke vormgeving van de AWBZ en de Wvg vooralsnog geen rekening gehouden. Een oprekken van de zorgplicht van het gemeentebestuur ingevolge de Wvg tot gehandicapten die in een sociowoning, als de onderhavige, verblijven zou kunnen betekenen dat ten laste van de Wvg woonvoorzieningen moeten worden getroffen die ook kunnen worden gebruikt door bewoners wier zorg en verblijf rechtstreeks op grond van de AWBZ is bekostigd. Op die manier zouden AWBZ-voorzieningen op de gemeenten worden afgewenteld.

De Raad stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat het geschil in hoger beroep zich toespitst op de vraag of appellant ten tijde in geding in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling verbleef en of appellant voor hem op grond van de Wvg een zorgplicht had.

De Raad beantwoordt die vraag als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg is het eerste lid niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ is toegelaten. Artikel 2, derde lid, van de Wvg verleent de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om van het tweede lid afwijkende regels vast te stellen. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door vaststelling van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen (Stcrt. 1995, 226, en Stcrt. 1996, 165). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van deze Regeling, zoals deze ten tijde in geding luidde, draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van rolstoelen aan gehandicapten die verblijven in een gezinsvervangend tehuis of een regionale instelling voor beschermd wonen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de instelling "[X.]" geŽxploiteerd wordt door de Stichting [Y.] en dat deze instelling ten tijde in geding een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling was met een capaciteit van 82 plaatsen. Evenmin is in geschil dat appellant in een woning woont die door deze stichting van een wooncorporatie wordt gehuurd en dat appellants verblijf in die woning en de door hem ontvangen zorg niet werden bekostigd op grond van de AWBZ.

De Raad beantwoordt de in hoger beroep in geding zijnde vraag of appellant ten tijde in geding in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling verbleef bevestigend. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant woont in een door de Stichting [Y.] gehuurde woning, die mede is bestemd voor de huisvesting van gehandicapten wier verblijf en zorg bekostigd wordt op grond van de AWBZ. Bovendien moet worden vastgesteld dat de zorg en het verblijf in deze woning worden geregeld vanuit "[X.]", een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 8 van de AWBZ, en dat deze zorg en dat verblijf in overwegende mate gelijkenis vertonen met die van medebewoners die daar op grond van de AWBZ verblijven. Bedoelde woning heeft daardoor het karakter van een dependance van "[X.]". Bovendien geldt voor beide categorieŽn bewoners dat zij in de woning verblijven op grond van een indicatie voor opname in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat appellant ten tijde in geding verbleef in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling. De Raad acht de omstandigheid dat de zorg en het verblijf van appellant in die woning niet rechtstreeks werd bekostigd ten laste van de AWBZ in het onderhavige geval onvoldoende zwaarwegend om te kunnen zeggen dat geen verblijf werd gehouden in een op grond van artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling.

Het beroep van appellant op artikel 26 van het IVBPR faalt. De wetgever heeft welbewust en overwogen onderscheid willen maken tussen geheel zelfstandig wonende gehandicapten die een beroep kunnen doen op de Wvg en andere gehandicapten die al dan niet een beroep kunnen doen op voorzieningen die in andere wetten zijn geregeld. Dat het aldus gemaakte onderscheid niet objectief wordt gerechtvaardigd door de aan deze keuze ten grondslag gelegde overwegingen is de Raad niet gebleken.

Aangezien ten slotte niet is gebleken dat appellant verblijf houdt in een gezinsvervangend tehuis of een regionale instelling voor beschermd wonen, volgt uit het vorenstaande dat gedaagde met betrekking tot de door appellant aangevraagde elektrische rolstoel geen zorgplicht had en bij het bestreden besluit dan ook terecht heeft geweigerd zodanige rolstoel te verstrekken.

De Raad voegt aan het vorenstaande, in dit geding ten overvloede toe, dat het appellant vrijstaat zich ter zake van de aanvraag van een rolstoel te wenden tot zijn zorgverzekeraar teneinde zijn eventuele aanspraak daarop ingevolge de AWBZ door dat bestuursorgaan te laten beoordelen.

Uit het voorafgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. C.P.J. Goorden, als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x