Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AE3560
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-01-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Handhaving van de eerdere afwijzing van het verzoek om een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van verhuizing, omdat betrokkene is verhuisd naar een uit oogpunt van zijn handicap voor hem inadequate woning.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4304 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift van 5 augustus 2000 aangevoerde en nadien bij diverse brieven met talrijke bijlagen nader toegelichte gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen tussen partijen gewezen uitspraak van 17 juli 2000. Bij die uitspraak is het beroep van appellant tegen gedaagdes besluit van 22 mei 2000 (het bestreden besluit) verworpen.

Het bestreden besluit bevat de handhaving van de eerdere afwijzing van appellants verzoek om een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van verhuizing naar de woning [p-straat] te [woonplaats]. Gedaagde ziet voor toewijzing van dat verzoek geen ruimte in de krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) in de gemeente Hoogezand-Sappemeer vastgestelde verordening (hierna: de Verordening) aangezien appellant is verhuisd naar een uit oogpunt van zijn handicap voor hem inadequate woning.

Gedaagde heeft een verweerschrift en - desgevraagd - nadere gegevens ingezonden.

Het geding is achtereenvolgens behandeld ter zitting van de Raad van 4 september 2001 en van 12 december 2001.

Appellant is daar in persoon verschenen terwijl voor gedaagde is opgetreden M.J.C. van den Briel, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.




II. MOTIVERING


Gelet op de inhoud van de gedingstukken verwijst de Raad met betrekking tot de voor dit geding van belang zijnde feiten, rechtsregels en de standpunten van partijen in eerste aanleg naar pagina 1 en 2 van de aangevallen uitspraak. Daaraan voegt de Raad toe, enerzijds, dat de ontvangst van het schrijven van 19 juli 1999 waarbij gedaagde appellant heeft meegedeeld dat hij, gelet op het advies van de GGD, uit medisch oogpunt is aangewezen op verhuizing naar een zonder traplopen bereikbare gelijkvloerse woning niet is weersproken en, anderzijds, dat appellant ook in hoger beroep niet heeft weersproken de stelling van gedaagde dat ten tijde in geding (flat)-(huur)woningen met lift - desgewenst - in beginsel in voldoende mate te verkrijgen waren.

De rechtbank heeft - onder meer - gedaagdes onder I vermeld standpunt onderschreven en het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is bij de aangevallen uitspraak (waar appellant wordt aangeduid als verzoeker en gedaagde als verweerder) overwogen:
"Bij besluit van 19 juli 1999 hebben verweerders, na de daartoe door verzoeker ingediende aanvraag van 21 oktober 1998, verzoeker medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten indien hij verhuist naar een gelijkvloerse woning die zonder traplopen te bereiken is. Verweerders hebben dit besluit gebaseerd op het door de GGD-arts J. Groot op 7 juli 1999 uitgebrachte advies. Evengenoemde arts heeft geconcludeerd dat de woning [q-straat] te [woonplaats] voor verzoeker gelet op de beperkingen van verzoeker een ergonomische belemmering voor hem vormt - drie hoog, geen lift -. Verhuizing naar een gelijkvloerse woning acht zij medisch geÔndiceerd. Indien de woning aan de gestelde eisen voldoet wordt een verhuiskostenvergoeding geadviseerd. In hun besluit van 19 juli 1999 hebben verweerders verzoeker medegedeeld dat hij verweerders er zo spoedig mogelijk van in kennis moet stellen indien hij een passende woning heeft verkregen. Op het moment dat verzoeker bij verweerders - op 30 augustus 1999 - een aanvraag indiende ter tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten naar zijn huidige woning, mťt trap, was verzoeker derhalve bekend met het op 19 juli 1999 door verweerders ingenomen standpunt dat hij niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt indien verhuizing plaatsvindt naar een woning met trap(pen). Terzake van het door verzoeker op 30 augustus 1999 ingediende verzoek heeft de GGD-arts J.E. Keizer op 4 april 2000 verweerders bericht dat de woning waarnaar verzoeker is verhuisd op basis van de diagnose, prognose en beperkingen door verzoeker op medische gronden niet normaal is te gebruiken. De woning is gezien de prognose niet als langdurig adequaat te beschouwen, zodat er geen indicatie op medische gronden bestaat voor een verhuiskostenvergoeding. Positief wordt geadviseerd indien verzoeker verhuist naar een gelijkvloerse woning die bereikbaar is met een lift.
(...)
De president is voorts van oordeel dat verzoeker op het moment dat hij zijn huidige woning betrok, gelet op de voorgeschiedenis - resulterend in het besluit van 19 juli 1999 - hij ervan kon uitgaan dat verweerders de betreffende woning niet adequaat zouden vinden, en hem om die reden geen tegemoetkoming zouden verstrekken.
Verzoeker heeft dienaangaand betoogd dat hij heeft gezocht naar een gelijkvloerse woning, maar dat zo'n woning financieel niet haalbaar bleek. Ook heeft verzoeker ter zitting verklaard dat zijn gezondheidstoestand verslechtert, en dat hij ook daarom de huidige woning heeft verkocht. Hoewel die woning niet adequaat is te achten is de woning wel minder inadequaat dan zijn vorige woning.
Gelet op het door de GGD-arts op 4 april 2000 uitgebrachte advies is de president van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verzoeker niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, en dat zij in redelijkheid hebben kunnen besluiten geen toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8.1, eerste lid, Vvg (hardheidsclausule). De president neemt daarbij mede in aanmerking dat - naar namens verweerders ter zitting is gesteld en niet door verzoeker is weersproken - er ten tijde van de koop van de huidige woning van verzoeker, en ook thans, voldoende aanbod was, en is, van adequate (flat)huurwoningen, doch dat verzoeker niet zodanige woning wenst. Dat verweerders, naar verzoeker heeft gesteld, verzoeker geen woningen hebben aangeboden maakt dit niet anders."

Ter beantwoording is de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om appellants verzoek om een verhuiskostenvergoeding af te wijzen op de grond dat er geen sprake is van een adequate woonruimte gelet op de aan zijn handicap verbonden beperkingen in het normaal gebruik van het door hem bewoonde huis op de [p-straat].

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

Het bestuur van de gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft in hoofdstuk 2, in samenhang met - voor zover hier van belang - artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, invulling gegeven aan de hem in artikel 3, juncto artikel 2, eerste lid van de Wvg opgedragen taak om zorg te dragen voor verantwoorde woonvoorzieningen.

Hierbij moet enerzijds worden bedacht dat de wetgever bewust ruimte heeft gelaten aan de gemeenten om naar eigen beleidsinzicht aan die opdracht gestalte te geven en anderzijds dat het gemeentebestuur zowel bij de vaststelling als bij de toepassing van de Verordening gehouden is tot inachtneming van de in artikel 3 van de Wvg globaal aangegeven ondergrens. Dit laatste betekent dat geen voorzieningen mogen worden verstrekt die niet verantwoord zijn.

Naar hetgeen in artikel 1.2.1, onder b en c, en artikel 2. 4, juncto artikel 2.1 onder a, van de Verordening, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder c en artikel 3 van de Wvg, ligt besloten, is gedaagde bevoegd om - bij wijze van verantwoorde woonvoorziening - een financiŽle tegemoetkoming te verstrekken in de verhuiskosten, mits wordt verhuisd naar een woonruimte die met het oog op de handicap naar objectief medische maatstaf adequaat is te achten. Daarvan is sprake als die ruimte met inachtneming van de aantoonbaar uit de handicap voortvloeiende beperkingen bij de normale elementaire woonfuncties, als langdurig geschikt moet worden beschouwd.
Indien aan dat vereiste niet is voldaan kan een woning niet worden aangemerkt als adequaat, ook al zou de gehandicapte er minder belemmeringen ondervinden dan in zijn vorige woning.

Niet gezegd kan worden dat de wijze waarop het gemeentebestuur bij de vaststelling van dit stelsel in de Verordening gestalte heeft gegeven aan zijn zorgplicht, in strijd komt met voormelde bepalingen van de Wvg en de daarin neergelegde ondergrens.

De vraag of appellant, naar objectief medische maatstaf gemeten, vanwege zijn handicap op de [p-straat] zodanig in de gebruikmaking van de normale elementaire woonfuncties wordt belemmerd dat die woning niet, althans niet langdurig, geschikt voor hem is, beantwoordt de Raad, gelet op de voorhanden gegevens, bevestigend.

De Raad onderschrijft de overwegingen terzake in de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat, enerzijds, de door de GGD-arts J.E. Keizer gestelde prognose overeenkomt met de door appellant in bezwaar en ter zitting van de rechtbank uitgesproken verwachting dat hij binnen enige jaren rolstoelafhankelijk en geheel buiten staat zal zijn een trap te gebruiken, en anderzijds, dat appellant zelfs geen begin van medisch onderbouwd tegenbewijs heeft geleverd tegen de door de betrokken GGD-artsen gerapporteerde onderzoeksbevindingen, er op neer komend dat hij door zijn handicap is aangewezen op een woning zonder trap. De slotsom luidt derhalve dat de woning op de [p-straat] niet voldoet aan voormelde, aan appellant tevoren duidelijk meegedeelde, ingevolge de Verordening geldende randvoorwaarde.

Voorzover hetgeen appellant voorts aanvoert betrekking heeft op de hier aan de orde zijnde Wvg-voorziening wordt daarbij voorbij gezien aan voormelde in zijn geval ingevolge de Verordening van toepassing zijnde voorwaarde.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad merkt in dit verband op dat, appellants grieven voor het overige de perken van het onderhavige rechtsgeding te buiten gaan en mitsdien buiten beschouwing worden gelaten.

Mede gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x