Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AE3910
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-03-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een financiŽle tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het gebruik van de eigen auto, omdat zij niet voldoet aan het in de gemeentelijke Wvg-verordening opgenomen criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken".
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5670 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om haar ingevolge het bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bepaalde in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een financiŽle tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het gebruik van de eigen auto.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 20 januari 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Roermond heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 29 september 2000 ongegrond verklaard.

Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 maart 2001 heeft appellante haar beroepschrift aangevuld.

Desgevraagd heeft gedaagde de Raad bij brief van 11 oktober 2001 nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 2002, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Ratingen en P. Coenen, werkzaam bij de gemeente Weert.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de feiten, zoals deze zijn weergegeven in rubriek II van de aangevallen uitspraak. Partijen hebben die niet bestreden, zodat ook de Raad ze als vaststaand zal aannemen.

Bij die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er op grond van de zich in het dossier bevindende medische gegevens, waaronder de desgevraagd door gedaagde overgelegde informatie van de huisarts en behandelend neuroloog Berns, ten aanzien van appellante weliswaar sprake is van beperkingen, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: de Verordening) opgenomen criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken". De rechtbank heeft op die grond het beroep verworpen.

Appellante voert in hoger beroep aan dat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer omdat zij lijdt aan chronische pijn. Zij stelt dit niet te kunnen bewijzen omdat er geen duidelijk zichtbare of aantoonbare afwijkingen zijn. Deze pijn is in de loop der tijd verergerd. Voorts geeft zij aan dat er ten tijde van haar aanvraag geen bushalte was in de wijk waarin zij woont. Zij acht zich niet tot fietsen in staat vanwege de toestand van haar knieŽn en evenwichtsproblemen en lopen kan zij naar haar zeggen slechts over korte afstanden, afhankelijk van haar pijn en energieverdeling op die dag.

Gedaagde blijft op grond van de medische advisering door de GGD Midden-Limburg bij zijn standpunt dat appellante weliswaar beperkingen heeft, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening opgenomen criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken".

In geding is de vraag of het bestreden besluit van gedaagde, waarbij zijn eerdere weigering om appellante een financiŽle tegemoetkoming in de autokosten toe te kennen is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten ten behoeve van hun deelneming aan het maatschappelijk verkeer en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij verordening regels vaststelt.

In de gemeente Weert is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.

Artikel 3.1 van de Verordening bepaalt - voor zover in dit geding van belang - dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer, een voorziening in natura of uit een financiŽle tegemoetkoming. In artikel 3.2 van de Verordening is bepaald dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.

Ter beoordeling staat derhalve of appellante als gevolg van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek - hetgeen impliceert, naar de Raad in soortgelijke zaken heeft overwogen, naar objectief medische maatstaf gemeten - geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of dit vervoer niet kan bereiken.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellante is op 26 april 1999 aan gedaagde medisch advies uitgebracht door de arts J.J. van Everdingen-Bongers, verbonden aan de GGD Midden Limburg. Naar aanleiding van de bezwaren van appellante tegen de weigering om haar aanvraag te honoreren heeft de GGD Midden-Limburg op verzoek van gedaagde opnieuw advies uitgebracht, ditmaal door de arts M.A.J. Haentjens, die ten behoeve van zijn onderzoek beschikte over gegevens van de huisarts, de behandelend neuroloog B.J. Berns en de neuroloog dr. J.F. de Rijk-van Andel. Deze medische gegevens bevinden zich onder de gedingstukken. Beide GGD-artsen concluderen op grond van hun bevindingen dat het weliswaar aannemelijk is dat appellante ten gevolge van schouder en nekklachten pijn ondervindt, maar dat zij daarmee, mede gelet op haar actieradius te voet, in staat moet worden geacht gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om het advies van de GGD-artsen voor onjuist te houden. Uit de aan de advisering door de GGD ten grondslag liggende gegevens, bezien in samenhang met de bevindingen van de GGD, valt af te leiden dat naar objectief medische maatstaf niet is gebleken van beletselen voor appellante om ten tijde hier in geding gebruik te maken van het openbaar vervoer dan wel om dit vervoer te bereiken, zodat artikel 3.2 van de Verordening aan honorering van de aanvraag van appellante in de weg staat.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x