Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AE4574
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van de toegekende vervoerskostenvergoeding van f 202,77 per maand omdat betrokkene met ingang van de datum in geding gebruik kan maken van het collectief vervoerssysteem. Stelt betrokkene terecht dat zij slechts onder begeleiding gebruik kan maken van het collectief vervoer en dat in die begeleiding niet kan worden voorzien aangezien haar echtgenoot in verband met zijn medische beperkingen daartoe niet in staat is?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/741 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat te Roermond, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 20 december 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 5 april 2002, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigden drs. E.H.M.G. Duysters en H.J. Huts, werkzaam bij gedaagdes gemeente.




II. MOTIVERING


Aan appellante is op 26 april 1994 een vervoerskostenvergoeding toegekend voor de deelname aan het dagelijkse maatschappelijke verkeer. Op 17 juni 1994 is aan haar eveneens een dergelijke vergoeding verstrekt. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag is bij besluit van 16 oktober 1997 die vergoeding verhoogd en is aan haar een financiŽle tegemoetkoming van f 202,77 per maand toegekend. Bij besluit van 20 oktober 1997 is een zelfde tegemoetkoming aan haar echtgenoot toegekend. De vergoeding had voor beide echtelieden betrekking op taxi, eigen vervoer of vervoer door derden.

Bij besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde de aan appellante toegekende vervoerskostenvergoeding met ingang van 1 januari 2000 beŽindigd. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante vanaf die datum gebruik kan maken van het collectief vervoerssysteem in gedaagdes regio. Aan haar worden ten behoeve van dat collectief vervoer maximaal 140 gesubsidieerde ritzones op jaarbasis verstrekt. Het aantal ritzones is later bijgesteld naar een onbeperkt aantal tegen een bedrag van f 0,80 per zone.
Het tegen dit besluit van 12 november 1999 ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit van 9 mei 2000 ongegrond verklaard.
Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 20 december 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellante is aangevoerd dat zij slechts onder begeleiding gebruik kan maken van het collectief vervoer en dat zij in die begeleiding niet kan voorzien aangezien haar echtgenoot in verband met zijn medische beperkingen niet daartoe in staat is. Verder wordt gesteld dat zij evenmin op een andere wijze in die begeleiding kan voorzien nu zij niet in staat is om die in te huren. Voorts is gesteld dat door gedaagde de schijn is gewekt dat appellante blijvend in het genot zou zijn gesteld van de vervoerskostenvergoeding. Op basis daarvan is door appellante en haar echtgenoot besloten een auto te kopen en ten behoeve daarvan een lening af te sluiten. Appellante betwist verder dat zij gebruik kan maken van het collectief vervoer nu dat vervoer grote overeenkomsten vertoont met het openbaar vervoer en nu juist van appellante is vastgesteld dat zij daar geen gebruik van kan maken. Tenslotte stelt appellante dat zij niet meer in staat is haar familie in Duitsland te bezoeken zodat zij in een sociaal isolement zal geraken.

Gedaagde heeft onder meer aangevoerd dat aan appellante en haar echtgenoot in het verleden op basis van de hardheidsclausule in de op de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) berustende Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Roermond (Verordening) een vervoerskostenvergoeding is toegekend wegens bijzondere omstandigheden. Naar de mening van gedaagde verhoudt de aanschaf van een auto op basis van die vergoeding zich niet tot de toekenningsgrondslag. In dat verband wijst gedaagde er op dat de aanschaf van de auto aanleiding had moeten vormen om de verstrekte vergoeding te herzien. Gedaagde stelt verder dat aan appellante meerdere malen te kennen is gegeven dat de toegekende vergoeding zou worden beŽindigd bij de inwerkingtreding van een collectief vervoerssysteem. Gedaagde wijst er op dat het collectief vervoer een wezenlijk verschil kent ten opzichte van het openbaar vervoer. Wat betreft de begeleiding stelt gedaagde dat vervoer van deur tot deur gewaarborgd is en dat de chauffeur helpt bij het in- en uitstappen.
Gedaagde stelt daarnaast dat appellante kosteloos een begeleider kan meenemen. Dat hoeft niet steeds dezelfde persoon te zijn. Wat dat betreft kan appellante ook een beroep doen op (de vrijwilligers van) de Thuishulpcentrale. Tenslotte acht gedaagde de stelling van appellante met betrekking tot het sociale isolement niet steekhoudend aangezien haar echtgenoot door middel van de aan hem toegekende vergoeding in de vervoersbehoefte kan voorzien, temeer daar men altijd samen naar de familie gaat.

De Raad overweegt als volgt.

Op basis van de stukken stelt de Raad vast dat appellante lijdt aan een neurologische aandoening. Verder is er een psychiatrisch beeld. Appellante is gedesoriŽnteerd in plaats en heeft last van vermoeidheidsklachten en pijnklachten in het rechterbeen. Ze loopt met een stok.

Op basis van de stukken, en mede gelet op het feit dat gemachtigde van appellante ondanks de diverse toezeggingen geen medische stukken heeft ingebracht die in een andere richting wijzen, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie die gedaagde in navolging van de adviserende arts heeft getrokken dat appellante, mits met begeleiding, gebruik zou kunnen maken van het collectief vervoer.

De echtgenoot van appellante heeft een cardiale aandoening en een longaandoening. Onbetwist is dat zijn beperkingen dusdanig zijn dat hij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of het collectief vervoer. De Raad stelt verder vast dat onbetwist is dat appellante en haar echtgenoot een grote vervoersbehoefte hebben. Niet alleen zijn er de gebruikelijke vervoersbewegingen zoals het boodschappen doen, naar de bank en de winkels gaan, maar ook heeft appellante in verband met het psychiatrisch beeld veel begeleiding en ontspanning nodig. Ten behoeve daarvan gaat zij samen met haar echtgenoot de natuur in. Tenslotte woont het grootste deel van de familie in Duitsland. In het kader van het onderzoek naar de vervoersbehoefte van de echtgenoot is vastgesteld dat het echtpaar ongeveer 14 retourverplaatsingen per week maakt.

In het verleden is door gedaagde juist met het oog op deze bijzondere vervoersbehoefte in combinatie met het feit dat het grootste deel van de familie in Duitsland woont en de daarmee samenhangende hoge kosten, onder toepassing van de hardheidsclausule uit de Verordening, een vergoeding voor een taxi, eigen auto of vervoer van derden verstrekt.
Nu er geen wijzigingen zijn opgetreden in de vervoersbehoefte van appellante, en voorts vaststaat dat er gelet op de aard van de klachten geen verbetering is te verwachten in de medische situatie van appellante en haar echtgenoot, kan de Raad, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, gedaagde niet volgen waar deze stelt dat met de bijzondere vervoersbehoefte van appellante voldoende rekening is gehouden. Het aangeboden collectief vervoer voorziet immers onbetwist niet in vervoer naar de familie in Duitsland. Dat appellante voor die bezoeken kan meerijden met haar echtgenoot omdat de echtelieden vrijwel alles gezamenlijk doen, acht de Raad in dit verband niet doorslaggevend, nu immers aan haar voor dergelijke reizen geen vergoeding wordt gegeven.
Het bestreden besluit veronderstelt voorts dat de echtelieden in beginsel steeds afzonderlijk (zullen moeten) reizen, nu immers aan appellante een vergoeding wordt verstrekt voor het gebruik van het collectief vervoer, met een begeleider, die niet haar echtgenoot kan zijn, aangezien hij om medische redenen niet met het collectief vervoer kan reizen. De consequentie daarvan is dat in dit geval de frequente gezamenlijke activiteiten steeds (zouden moeten) worden voorafgegaan en besloten met gescheiden vervoer. Al het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen voldoet naar het oordeel van de Raad een dergelijke voorziening in dit bijzondere geval, waarin beide echtgenoten op een vervoersvoorziening in het kader van de Wvg zijn aangewezen, de echtgenoot om medische redenen niet (als begeleider) kan meereizen in de vervoersvoorziening van zijn echtgenote, er sprake is van een uitzonderlijke vervoersbehoefte en van een regelmatig bezoek aan familieleden in het buitenland, niet aan het in artikel 3 van de Wvg neergelegde vereiste dat de voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht worden verleend. Dat appellante in de praktijk steeds met haar echtgenoot kan en zal meerijden, doet daar niet aan af, nu haar voorziening immers niet strekt tot de kosten die hij daarvoor moet maken, terwijl zijn vergoeding - naar ter zitting niet is weersproken - niet is gebaseerd op het meerijden van zijn echtgenote. De Raad is dan ook van oordeel dat in het bestreden besluit niet voldoende rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval en dat gelet op de feiten zoals deze thans zijn vastgesteld, moet worden geconstateerd dat er sprake is van strijd met artikel 3 van de Wvg.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de hiervoor weergegeven feiten, omstandigheden en factoren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 966,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 966,--, te betalen door de gemeente Roermond;
Bepaalt dat de gemeente Roermond aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,--)vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) N.J. Stolten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x