Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO3230
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen, op de grond dat niet is aangetoond dat de verstrekte voorzieningen niet voldoen en betrokkene onvoldoende in staat stellen aan het leven van alledag deel te nemen. Betrokkene lijdt aan pijn in gewrichten, versleten botten, astma en jicht en heeft nier- en prostaatproblemen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5930 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd appellant - in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 van de gemeente Den Haag (Verordening) - in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen.

Bij het bestreden besluit van 2 november 2001 is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 8 november 2002, registratienummer 01/4351 WVG, ongegrond verklaard.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Naar aanleiding van een schrijven van de Raad heeft gedaagde bij brief van 6 november 2003 ingezonden een 'Rapportage Selectie Scootmobiel' van de ergonomisch adviseur G. Verdouw van Argonaut BV van 14 mei 2001 en rapportages van de verzekeringsarts L.H.C. van Berckel en de arts P.W. Mulder van Argonaut BV van 26 september 2002 respectievelijk 22 augustus 2002.

Bij datzelfde schrijven heeft gedaagde het besluit van 4 oktober 2002, inhoudende een afwijzing van een aanvraag van 17 oktober 2001 om een gesloten buitenwagen, overgelegd. Daartegen is, blijkens informatie die ter zitting beschikbaar is gekomen, geen bezwaar ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 2003, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Maas werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft middels een op 28 januari 2001 ondertekend formulier bij gedaagde een aanvraag ingediend voor onder meer een gesloten buitenwagen en heeft daarbij melding gemaakt van pijnklachten in gewrichten, versleten botten, astma, jicht en nier- en prostaatproblemen.

Op 11 januari 2001 heeft de arts S. Ammersingh van Argonaut BV een advies uitgebracht waarin is geconstateerd dat sprake is van urologische-, long- en reumatologische aandoeningen en slijtageklachten van de rug. Genoemde arts heeft aangegeven dat er in verband met de long-, en reumatologische aandoeningen een indicatie is voor een vervoersvoorziening en dat de goedkoopst adequate oplossing daarvoor is collectief aanvullend vervoer in combinatie met een scootermobiel voor korte afstanden. Ammersingh heeft aangegeven dat appellant die voorzieningen afwijst en heeft voorts geconcludeerd dat geen sprake is van een indicatie voor een gesloten buitenwagen.

Op 8 februari 2001 heeft gedaagde overeenkomstig dit advies beslist.
In bezwaar heeft appellant zijn medische klachten nogmaals naar voren gebracht en aangegeven dat hij (urine) incontinent is, hij zich regelmatig moet verschonen en dat de gesloten buitenwagen de enige adequate voorziening is. Uit de stukken is gebleken dat hangende de bezwaarfase de scootermobiel en collectief aanvullend vervoer inmiddels als voorziening aan appellant reeds zijn verstrekt.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is aangetoond dat de verstrekte voorzieningen niet voldoen en appellant onvoldoende in staat stellen aan het leven van alledag deel te nemen, zodat de voorziening voor een buitenwagen terecht is afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het advies van de arts Ammersingh, voornoemd, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat gedaagde zich op dat advies heeft mogen baseren.

In hoger beroep heeft appellant onder meer aangegeven dat hij zwaar urine-incontinent is en ook incontinent is voor ontlasting, dat de toekenning van andere voorzieningen zijnde een seniorenbed en een sta-op stoel, al genoeg zeggen en dat hij enkele malen is omgevallen met zijn scootermobiel.

De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of gedaagde terecht en op goede gronden op de aanvraag van appellant om een gesloten buitenwagen heeft afgewezen.

Uit de artikelen 3.1. en 3.2 van de Verordering volgt - samengevat en voor zover in deze zaak van belang - dat verstrekking van een gesloten buitenwagen pas aan de orde is als de betrokkene op medische gronden geen gebruik kan maken van het collectief systeem van aanvullend vervoer.

Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat niet gebleken is het dat advies van de arts Ammersingh, voornoemd, onjuist is dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ondanks herhaalde verzoeken van deze arts is door de huisarts van appellant geen medische informatie verstrekt. Van de zijde van appellant is geen medische informatie verstrekt die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het besluit.

Wat betreft de grief van appellant dat hij in verband met incontinentieklachten geen gebruik kan maken van het collectief aanvullend vervoer in verband met de onmogelijkheid zich te verschonen en overlast geeft aan andere deelnemers wat bij hem gepaard gaat met gevoelens van schaamte, zodat hij is aangewezen op een gesloten buitenwagen, wijst de Raad erop dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam naar voren komt dat de (urine) incontinentieklachten geruime tijd na de afwijzing van de aanvraag zijn toegenomen en de gestelde incontinentieklachten voor ontlasting ook eerst nadien zijn ontstaan.

Voorts wijst de Raad met betrekking tot de incontinentieproblematiek op zijn eerdere uitspraken van 15 augustus 2001, 00/1744 WVG (RSV 2001/185) en 11 oktober 2000, 99/5404 WVG (JSV 2000/289), die erop neerkomen dat incontinentie niet altijd aanleiding behoeft te geven tot het oordeel dat collectief vervoer voor deelname aan het leven van alledag niet adequaat zou zijn, onder meer omdat het bij een dergelijke voorziening in de regel gaat om vrij korte ritten in de directe omgeving waarbij mag worden verwacht dat betrokkene beschikt over adequaat incontinentiemateriaal. Bij het voorafgaande tekent de Raad nog aan dat de artsen Van Berckel en Mulder, voornoemd, die zijn geraadpleegd in verband met latere aanvragen om woonvoorzieningen en een gesloten buitenwagen, evenmin aanleiding hebben gezien voor een indicatie voor een gesloten buitenwagen. Daarbij heeft Mulder aangegeven dat de incontinentie problematiek met materiaal redelijk onder controle is.


Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x