Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO3626
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten van (de vervanging van) een bruikleenauto, op de grond dat betrokkene, gelet op zijn medische beperkingen en zijn vervoersbehoefte, met een gesloten buitenwagen binnen zijn woon- en leefomgeving op adequate wijze kan deelnemen aan het leven van alledag, terwijl door verstrekking van een taxivergoeding (in beperkte mate) in zijn vervoersbehoefte buiten de regio kan worden voorzien.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3577 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. F.S.P. Gijsberti Hodenpijl, advocaat te Amsterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2002, reg.nr. 01/3643 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 november 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Gijsberti Hodenpijl en gedaagde door mr. W.A. Hakstege, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.

Bij het bestreden besluit van 7 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 29 februari 2000, waarbij de aanvraag om (vervanging van) een bruikleenauto is afgewezen, ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat appellant gelet op zijn medische beperkingen en zijn vervoersbehoefte met een gesloten buitenwagen binnen zijn woon- en leefomgeving op adequate wijze kan deelnemen aan het leven van alledag, terwijl door verstrekking van een taxivergoeding (in beperkte mate) in zijn vervoersbehoefte buiten de regio kan worden voorzien.

De rechtbank heeft ter zake hiervan in de aangevallen uitspraak - appellant aanduidend als eiser en gedaagde als verweerder - het volgende overwogen:

"Wat betreft de vraag of eiser in staat moet worden geacht gebruik te maken van de (combinatie van) geļndiceerde vervoersvoorzieningen, stelt de rechtbank vast dat tijdens medisch onderzoek is geconstateerd dat eiser vanwege een neurologische aandoening beperkingen ondervindt in zijn mobiliteit, met name waar het gaat om verplaatsingen buitenshuis. Daarbij is vastgesteld dat sprake is van een weersgevoelige aandoening, waardoor eiser voor iedere verplaatsing buitenshuis is aangewezen op een gesloten vervoermiddel. Uit onderzoek is verder gebleken dat eiser vanwege zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, dan wel het aanvullend openbaar vervoer. Met een gesloten buitenwagen is eiser evenwel in staat geacht te voorzien in zijn vervoersbehoefte over de korte en middellange afstand. Voor de verder liggende vervoersdoelen is eiser medisch in staat geacht gebruik te maken van een taxi.

Met betrekking tot eisers grief dat het medisch onderzoek ontoereikend is geweest, overweegt de rechtbank dat de medische beoordelingen weliswaar tot twee verschillende indicatieadviezen hebben geleid, maar dat dit verschil niet gelegen is in verschillende medische beoordelingen, doch is ingegeven door het feit dat bij de uitgebrachte adviezen is uitgegaan van een verschillende vervoersbehoefte. In dit kader is gebleken dat het eerdere door de Stichting Tot en Met uitgebrachte indicatieadvies blijkens de rapportage van 10 december 1999 is gebaseerd op een veel grotere vervoersbehoefte dan waartoe de zorgplicht van verweerder strekt. Nu door de Stichting Tot en Met een vrij uitgebreid onderzoek is verricht met betrekking tot eisers beperkingen, en blijkens de rapportages van 10 december 1999 en 14 februari 2000 tijdens beide onderzoeken is uitgegaan van dezelfde medische gegevens, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het medisch onderzoek ontoereikend is geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers medische situatie tijdens de bezwaarfase nogmaals door een arts van de Stichting Tot en Met is beoordeeld, bij welk onderzoek tevens de door de behandelend fysiotherapeut verstrekte informatie is betrokken. Met de door eiser in beroep overgelegde verklaring van de fysiotherapeut is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing geleverd voor het standpunt dat de medische beoordeling ontoereikend is geweest, dan wel dat sprake is van een verslechtering van eisers medische situatie. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding een nieuw medisch onderzoek te gelasten, als door eiser verzocht."

De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. In de door appellant overgelegde verklaringen van zijn fysiotherapeut, E.A. Boomsma, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van een contra-indicatie voor het gebruik van een gesloten buitenwagen of van een taxi.

Evenals de rechtbank acht de Raad het voorts niet aannemelijk dat appellant zonder bruikleenauto ten behoeve van het onderhouden van met name bovenregionale contacten in een sociaal isolement zou komen te verkeren. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant ten tijde in geding samenwoonde met zijn echtgenote en zijn zoon en dat hij diverse sociale contacten onderhield in zijn directe woon- en leefomgeving, zodat hij voor het onderhouden van zijn sociale contacten niet uitsluitend is aangewezen op contacten buiten de regio.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x