Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO3631
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten van vervanging van haar huidige scootmobiel (Bec Sterling Elite) door een scootmobiel (plateaurolstoel) met meer vering, omdat niet is gebleken van een medische noodzaak.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4070 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij het bestreden besluit van 26 maart 2001 heeft gedaagde zijn besluit van 7 september 2000, inhoudende afwijzing van de aanvraag van appellant van 17 april 2000 om vervanging van haar huidige scootermobiel (Bec Sterling Elite) door een scootermobiel (plateaurolstoel) met meer vering op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten Helmond (Verordening), gehandhaafd.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 juni 2002 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Namens appellante heeft mr. P.C.J. Willekens, advocaat te Helmond, de gronden van het hoger beroep aangevuld en heeft hij brieven van de chiropracticer R. Conger, D.C. en de fysio-manueel therapeut W.J. Simonse van 3 augustus 2002 respectievelijk 21 augustus 2002 ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 13 november 2003 heeft gedaagde ingezonden een advies van de arts C.J.M. Vleer van het WVG-adviesteam van 4 november 2002. Daarna heeft gedaagde nog ingezonden een reactie van J.M. Kruitbosch, revalidatie-arts bij het WVG-adviesteam van 26 november 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 2003. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Willekens, voornoemd. Voor gedaagde is daar verschenen mr. M.C.R. Strijbos, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst, gelet op de inhoud van de gedingstukken, voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de zijne.

Appellante heeft gedaagde op 17 april 2000 verzocht haar in november 1997 door gedaagde verstrekte scootermobiel Bec Sterling Elite, te vervangen door een scootermobiel met meer vering (zoals een Booster Trophy). Appellante heeft daarbij aangegeven dat haar rugklachten verergeren na het zitten op de (huidige) scootermobiel.

Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 26 maart 2001 geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een scootermobiel met meer vering omdat gelet op het advies van de revalidatiearts J.M. Kruitbosch van 11 augustus 2000, diens schrijven van 26 oktober 2000 (naar aanleiding van het ingestelde bezwaar) en het in de bezwaarfase opgestelde rapport van 21 februari 2001 van de revalidatiearts E.W.M. Peusens, verbonden aan Ziekenhuizen Noord-Limburg, daartoe geen medische noodzaak aanwezig is.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat bij een voorziening als een rolstoel niet aan elke wens van de gehandicapte (behoefte aan comfort) tegemoet hoeft te worden gekomen, dat de klachten van appellante die erop neerkomen dat het reizen met de huidige rolstoel meer moeite kost dan het geval zou zijn met een Booster Trophy, niet tot het oordeel leidt dat de huidige scootermobiel (Bec Sterling) als een niet-verantwoorde voorziening moet worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van de voornoemde medische adviezen van de revalidatieartsen Kruitbosch en Peusens heeft kunnen concluderen dat er geen medische noodzaak is voor de gevraagde vervanging van de scootermobiel.

In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd dat de huidige scootermobiel niet meer geschikt is omdat zij tijdens het gebruik daarvan pijnklachten in de rug heeft. Ter adstructie daarvan zijn zijdens appellante brieven van haar behandelend chiropracticer en fysio-manueel therapeut overgelegd.

Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of gedaagde terecht en op goede gronden op de aanvraag van appellante van 17 april 2000, inhoudende een verzoek om vervanging van haar scootmobiel in een scootmobiel met een betere vering, afwijzend heeft beslist.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg moet onder gehandicapte worden verstaan: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wvg omschrijft een vervoersvoorziening als een 'voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt'.

Uit 's Raads vaste jurisprudentie vloeit voort dat op een vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en d van de Wvg, slechts aanspraak kan bestaan wanneer gezegd moet worden dat de belanghebbende daarop op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, is aangewezen.

Daarvan uitgaande is de Raad gezien de beschikbare gegevens van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellante ten tijde hier in geding naar medisch objectieve maatstaven was aangewezen op een scootermobiel met betere vering. Dienaangaande acht de Raad zich voldoende voorgelicht door de revalidatieartsen Kruitbosch en Peusens. Deze revalidatieartsen, die bij uitstek geschikt zijn te adviseren in het kader van aanvragen als de onderhavige, hebben appellante onderzocht en zijn beiden tot de conclusie gekomen dat appellante medisch gezien niet is aangewezen op een scootermobiel met een betere vering. Tevens acht de Raad van belang dat de arts C.J.M. Vleer, die naar aanleiding van een (latere) aanvraag om een scootermobiel met betere vering heeft geadviseerd op 4 november 2002, na onderzoek van appellante evenmin tot de conclusie is gekomen dat een scootermobiel medisch geļndiceerd is.

De Raad kan - anders dan appellante - in de in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelend fysio-manueel therapeut en de chiropracticer, onvoldoende aanwijzingen vinden dat appellante in de periode hier in geding naar medisch objectieve maatstaven gemeten op een voorziening als de onderhavige was aangewezen.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. C.G.M. Rijnberk en mr. A.W.M. Bijloos, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x