Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO3635
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor woonvoorzieningen, waaronder een financiŽle tegemoetkoming tot een bedrag van ruim f 92.000,- voor het bouwen van een aangepaste gelijkvloerse nieuwe woning. Goedkoopste adequate voorziening.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5990 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, wonende te [woonplaats], wettelijk vertegenwoordigd door [zijn wettelijk vertegenwoordigers],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bolsward, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op daartoe bij het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 oktober 2002, reg.nr. 02/303 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend (met bijlagen).

Het geding is behandeld ter zitting van 17 december 2003. De wettelijke vertegenwoordigers van appellant zijn daar verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor rechtsbijstandverzekering, gevestigd te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. W.J.M.Peters, beleidsmedewerker bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en A. Hornstra en H. Westra, werkzaam bij de gemeente Bolsward.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak voor een resumť van de feiten en de toepasselijke regelgeving. Daaraan voegt hij toe artikel 1.2, eerste lid, onder c, van de krachtens artikel 2, eerste lid, in verbinding met artikel 5, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) door de raad van de gemeente Bolsward vastgestelde Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Verordening). Deze bepaling vormt - in samenhang met artikel 3 van de Wvg - een uitgangspunt voor de reikwijdte van gedaagdes zorgplicht, te weten dat in beginsel de goedkoopste adequate voorziening wordt verleend.

Bij primair besluit van 2 november 2000 heeft gedaagde in het kader van de Wvg afwijzend beslist op een aanvraag vanwege appellant om woonvoorzieningen, waaronder een financiŽle tegemoetkoming tot een bedrag van ruim f 92.000,00 (Ä 41.747,78) voor het bouwen van een aangepaste gelijkvloerse nieuwe woning. Daartoe heeft gedaagde, mede lettende op de door Zorgvoorzieningen Nederland (ZVN) in april 1999 uitgebrachte adviezen, onder meer overwogen:

"Uit die rapportage blijkt dat u op dat moment (april 1999) een eigen woning bewoont die niet geschikt is voor rolstoelgebruik. De inschatting is dat deze woning slechts met zeer veel kosten aan te passen is. Het medisch advies luidt dan ook dat de goedkoopst adequate oplossing bestaat uit verhuizen naar een woning waar de aanpassingen voor rolstoelgebruik al aanwezig zijn. Als alternatief wordt geadviseerd: aanpassen toekomstige woning. (...) U hebt gekozen voor het bouwen van een nieuwe woning, die u bij de bouw geheel aan wilt passen. Dat is een andere keus dan het verhuizen naar een reeds aangepaste woning. In principe is in die situatie geen verhuiskostenvergoeding mogelijk, omdat u verhuist van een ongeschikte woning naar een eveneens ongeschikte woning. (...) Bij het bouwen van een nieuwe woning, in een situatie dat al bekend is dat er op termijn sprake is van totale rolstoelafhankelijkheid, gaan wij er van uit dat er van meet af aan aanpasbaar gebouwd zal worden. De experimenten rond aanpasbaar bouwen hebben geleerd dat de meerkosten van een woning niveau sociale woningbouw die geheel rolstoeltoegankelijk is beperkt kunnen blijven tot een bedrag rond de f 1000,--. Dit in de situatie dat het gaat om een geheel gelijkvloerse woning, zoals bijvoorbeeld een flatwoning. Een geheel gelijkvloerse woning vraagt evenwel meer grondoppervlak. Gaat het om een woning met verdieping dan zullen er niveauverschillen overwonnen moeten worden. Dit zal gebeuren met behulp van een trapplateau lift, een lift met een kostprijs van ongeveer f 15.000,-- tot f 20.000,--. Door de Centrale Raad van Beroep is tot op heden het standpunt ingenomen dat uitgangspunt mag zijn een woning met een verdieping. Die woning kan een gemiddeld vloeroppervlak hebben, zodat geen sprake is van kosten voor een lift. Kiest men voor een woning waar alle door de rolstoelgebruiker te benutten ruimte gelijkvloers liggen, dan zal er sprake zijn van een groter bouwvolume. (...) Wij zijn van mening dat u in principe had kunnen kiezen voor het onderbrengen van de kamer van [appellant] en het sanitair dat toegankelijk dient te zijn op de verdieping. In die situatie had een traplift geplaatst moeten worden. Nu u zelf hebt gekozen voor het gelijkvloers onderbrengen kennen wij u een vergoeding toe voor eventuele meerkosten van f 20.000,--, het bedrag als tegenwaarde voor een traplift. Daarnaast zijn door u een aantal andere kostenposten opgevoerd. Alleen de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de handicap van [appellant] en die niet algemeen gebruikelijk zijn, komen voor vergoeding in aanmerking. (...) Alles samenvattend komen wij tot de conclusie dat in totaal een bedrag van f 25.573,00 subsidiabel is. Nu door ons vastgesteld is dat u gaat verhuizen naar een woning die relatief gezien met betrekkelijke geringe kosten aan te passen is, zijn wij van mening wel een verhuiskostenvergoeding te kunnen verstrekken. Wij kennen u hierbij tevens een verhuiskostenvergoeding toe van f. 5000,00."

In bezwaar is gesteld dat ZVN het gebruik van een traplift voor appellant niet mogelijk achtte en dat het gezin van appellant, gelet op het daartoe strekkende advies van ZVN en bij gebreke van reeds aangepaste woningen, in feite gedwongen was te verhuizen naar een nieuw te bouwen gelijkvloerse woning welke tijdens de bouw moest worden aangepast, hetgeen aanzienlijk hogere kosten dan f 20.000,00 (Ä 9075,60) meebracht.

Bij besluit op bezwaar van 11 februari 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn in het primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat de ouders van appellant door het laten bouwen van de onderhavige nieuwe woning, waarin de kamer en de sanitaire voorzieningen van appellant op de begane grond zijn ondergebracht, niet hebben gekozen voor de goedkoopste adequate maar voor de meest optimale oplossing.

Namens appellant is in hoger beroep - goeddeels met herhaling van wat in bezwaar is aangevoerd - stelling genomen tegen het oordeel van de rechtbank. Daarbij is gewezen op een verklaring van de revalidatiearts Meinsma van 16 april 2003, inhoudende dat appellant op termijn volledig gebonden zal raken aan zijn elektrische rolstoel. De ouders van appellant zijn van mening dat in die situatie de problemen van appellant in verband met zijn ziekte onvoldoende zullen worden opgelost met een traplift.

In hoger beroep heeft gedaagde onder meer gewezen op een eerder, in 1998, namens appellant gedane aanvraag om een woonvoorziening bij de gemeente Wunseradiel waaruit blijkt dat al in 1998 - dus lang voor het advies van ZVN van april 1999 - de intentie bestond te verhuizen naar een medio 1999 in Bolsward (Fugelkrite) te bouwen en aan te passen woning in de particuliere sector. Gedaagde heeft tevens gemotiveerd vastgehouden aan zijn standpunt dat de adviezen van ZVN van april 1999, mede gelet op het daarin vermelde uitgangspunt van de goedkoopste adequate voorziening, geen verdergaande eis bevatten dan dat de bij het normale gebruik van de woning relevante vertrekken voor appellant zonder traplopen bereikbaar moeten zijn. Gelet op die adviezen acht gedaagde niet gebleken van een naar objectief medische maatstaf relevante indicatie voor een woning die gelijkvloers is en tevens groter is dan een woning in de sociale sector. Voorts heeft gedaagde nader uiteengezet dat, ook indien wordt uitgegaan van de prognose dat appellant volledig rolstoelgebonden zal raken, aan de door ZVN gestelde eis op verantwoorde wijze had kunnen worden voldaan door de te bouwen woning van meet af aan te voorzien van een plateaulift.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

Uit de gedingstukken, waaronder de in hoger beroep bij het verweerschrift ingezonden eerdere aanvraag om een woonvoorziening, blijkt dat bij de ouders van appellant reeds in 1998 het vaste voornemen bestond om te verhuizen naar de onderhavige, in opdracht van hen gebouwde en aangepaste, ruime gelijkvloerse woning. Van enig medisch advies, inhoudend dat voor appellant slechts het realiseren van die - duurdere - optie als adequaat moet worden aangemerkt, is niet gebleken. De namens appellant geponeerde stelling dat er op grond van de adviezen van ZVN geen andere keus was, mist feitelijke grondslag. In die adviezen is immers enkel als eis opgenomen, dat alle relevante vertrekken zonder traplopen bereikt moeten kunnen worden.

Gelet op de onder de gedingstukken aanwezige medische en ergonomische gegevens onderschrijft de Raad gedaagdes standpunt dat met een plateaulift op een adequate wijze had kunnen worden tegemoetgekomen aan appellants problemen bij het zich verplaatsen in de woning. Dat dit niet mogelijk zou zijn als zou worden uitgegaan van een kleinere woning (niveau sociale woningbouw), is niet gebleken. De Raad stelt voorts vast dat de aan het aanbrengen van een plateaulift verbonden kosten onbetwist aanzienlijk lager zijn dan het vanwege appellant bij wijze van woonvoorziening gevraagde bedrag voor de - verdergaande - aanpassing waaraan zijn ouders de voorkeur hebben gegeven.

Mede lettend op het in de Verordening neergelegde uitgangspunt ter zake van de verlening van de goedkoopste adequate voorziening komt de Raad, in het spoor van wat hij reeds eerder (onder meer in zijn uitspraak van 30 december 1998, reg.nr. 98/2842 WVG en 98/6764 WVG) als zijn opvatting heeft doen blijken, tot de slotsom dat gedaagde met de aan appellant verleende combinatie van woonvoorzieningen, waaronder een forfaitaire tegemoetkoming ter hoogte van de tegenwaarde van een plateaulift, niet is tekort geschoten in zijn zorgplicht in het kader van de Wvg.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad - tenslotte - geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. Hooft als voorzitter, mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x