Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg / Wet Rea
x
LJN:
x
AO4646
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging met ingang van de datum in geding van de aan betrokkene toegekende vervoersvoorziening ten behoeve van de deelname aan het maatschappelijk verkeer in de vorm van het gebruik van de deeltaxi, onder de overweging dat betrokkene op grond van de Wet Rea (ook) recht heeft op een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor het leefvervoer, zodat - gelet op de Regeling vervoerskostenvergoeding Wvg - voor toekenning van een vervoersvoorziening in het kader van de Wvg (daaronder begrepen het gebruik van de deeltaxi) geen ruimte meer is. In artikel 5, vierde lid, van de Wvg kan geen toereikende (delegatie)grondslag worden gevonden voor het treffen van een samenloopregeling als neergelegd in artikel 1 van de Regeling vervoerskostenvergoeding Wvg.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4846 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 juli 2002, reg.nr. 02/212 WVG. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het namens gedaagde tegen het bestreden besluit van 13 december 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 januari 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar gedaagde in persoon is verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij primair besluit van 27 oktober 2000, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2001, heeft de rechtsvoorganger van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) aan gedaagde - naast een op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) afzonderlijk toegekende werkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor het woon-werkverkeer - op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet Rea een vergoeding voor het zogeheten leefvervoer toegekend van maximaal f. 2.135,-- per jaar. Tegen het besluit van 21 juni 2001 heeft gedaagde geen beroep ingesteld.

Bij primair besluit van 12 juli 2001, gehandhaafd bij - het bestreden - besluit op bezwaar van 13 december 2001, heeft appellant voorzover hier van belang de op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Tilburg 2000 (hierna: de Verordening) aan gedaagde toegekende vervoersvoorziening ten behoeve van de deelname aan het maatschappelijk verkeer in de vorm van het gebruik van de deeltaxi met ingang van 1 januari 2002 beŽindigd. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gedaagde op grond van de Wet Rea (ook) recht heeft op een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor het leefvervoer, zodat - gelet op de (ministeriŽle) Regeling vervoerskostenvergoeding Wvg (Stcrt. 1994, nr. 44) (hierna: de Regeling) - voor toekenning van een vervoersvoorziening in het kader van de Wvg (daaronder begrepen het gebruik van de deeltaxi) geen ruimte meer is. Om die reden heeft appellant ook het beroep van gedaagde op de hardheidsclausule in de Verordening verworpen. Voorts heeft appellant nog verwezen naar artikel 1.2, derde lid, van de Verordening.

De rechtbank heeft - kort gezegd - overwogen dat de Regeling hier niet van toepassing is, omdat gedaagde heeft verzocht om deelname aan het collectief vervoer (het gebruik van de deeltaxi) en de Regeling uitsluitend betrekking heeft op een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel. Omdat de op grond van de Wet Rea toegekende vergoeding voor het leefvervoer naar het oordeel van de rechtbank in het voorliggende geval geen verantwoorde voorziening in de zin van de Wvg is, had appellant moeten onderzoeken of er aanleiding is om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.2, derde lid, van de Verordening.

In hoger beroep heeft appellant primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de Regeling niet van toepassing acht, omdat de "tweelokettengedachte" die daaraan ten grondslag ligt, alleen kan worden gerealiseerd indien onder het begrip "financiŽle tegemoetkoming" ook het (aanvullend) collectief vervoer wordt begrepen. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat gedaagde met de haar in bruikleen gegeven handbike een groot deel van de plaatselijke afstanden kan afleggen en bovendien het Uwv gehouden is een adequate vervoersvoorziening te verstrekken. Indien dat niet het geval mocht zijn, kan dit niet aan appellant worden tegengeworpen. Gedaagde heeft voorts ook geen beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv van 21 juni 2001.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met de rechtbank, maar op een andere grond, is de Raad van oordeel dat appellant zich ten onrechte op de Regeling beroept ten betoge dat hij in dezen niet bevoegd zou zijn toepassing te geven aan de Wvg en de Verordening.

Artikel 1 van de Regeling luidt:

"Indien een gehandicapte op grond van artikel 57, tweede lid, onder a, van de AAW (...) in aanmerking kan worden gebracht voor een vervoersvoorziening, wordt op grond van artikel 2 van de Wet voorzieningen gehandicapten geen financiŽle tegemoetkoming in de kosten van een vervoermiddel verleend, en wordt een op grond van laatstgenoemd artikel reeds verleende financiŽle tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel uiterlijk na twaalf maanden beŽindigd."

De Regeling vindt, mede blijkens de aanhef, haar grondslag in artikel 5, vierde lid, van de Wvg, op grond waarvan - kort gezegd - de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels kan stellen met betrekking tot de financiŽle tegemoetkomingen. Uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 815, nr. 15, blz. 3) komt naar voren dat deze bepaling in de Wvg is opgenomen "om ook met betrekking tot de financiŽle tegemoetkomingen nadere regels te [kunnen] stellen, teneinde te waarborgen dat ook dat deel van de kosten van een voorziening dat niet door de financiŽle tegemoetkoming wordt gedekt, binnen de grenzen van de draagkracht blijft".

Naar het oordeel van de Raad kan, gelet hierop, in artikel 5, vierde lid, van de Wvg geen toereikende (delegatie)grondslag worden gevonden voor het treffen van een samenloopregeling als neergelegd in artikel 1 van de Regeling, zodat - reeds - om deze reden aan de Regeling geen toepassing kan worden gegeven.

De primaire grief van appellant treft derhalve geen doel.

De subsidiaire grief slaagt daarentegen wel.

Ingevolge artikel 1.2, derde lid, van de Verordening wordt geen voorziening toegekend voorzover op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat.

Ook de Raad is van oordeel dat sprake is van een dergelijke "voorliggende voorziening", nu de op grond van artikel 31, derde lid, van de Wet Rea toegekende vergoeding voor het leefvervoer en de door gedaagde gewenste vervoersvoorziening op grond van de Wvg en de Verordening betrekking hebben op dezelfde vervoersbewegingen in de leefsfeer. De Raad kan gedaagde ook niet volgen in haar standpunt dat een vergoeding voor het leefvervoer op grond van artikel 31, derde lid, van de Wet Rea, anders dan een vervoersvoorziening in het kader van de Wvg, vooral moet worden gezien als een aanvulling op het inkomen. De in artikel 1.2, derde lid, van de Verordening neergelegde weigeringsgrond is hier derhalve van toepassing.

Dat betekent dat vervolgens de vraag voorligt of appellant met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 1.2, derde lid, van de Verordening had moeten afwijken.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat - rechtens - van het Uwv mag worden verlangd dat het in het kader van de Wet Rea een adequate vervoersvoorziening toekent en dat, mocht dit niet het geval zijn, zulks niet aan appellant kan worden tegengeworpen in die zin dat appellant dan, met toepassing van de hardheidsclausule, een (aanvullende) vervoersvoorziening op grond van de Wvg en de Verordening zou moeten toekennen.

De Raad merkt nog op dat, gelet op de goeddeels overeenkomstige achtergronden van de in beide regelingen onder meer neergelegde bevoegdheid tot het toekennen van vervoersvoorzieningen in de leefsfeer, ook bij een op grond van artikel 31, derde lid, van de Wet Rea toe te kennen vergoeding voor het leefvervoer de criteria die gelden voor vervoersvoorzieningen in het kader van de Wvg zoveel mogelijk van (overeenkomstige) toepassing zijn. Daarmee ligt het in gevallen als het voorliggende op de weg van de betrokkene om tegen een besluit van het Uwv bezwaar te maken en vervolgens beroep in te stellen, indien hij van mening is dat de door het Uwv toegekende vergoeding voor het leefvervoer geen verantwoorde voorziening is. In dit geval heeft gedaagde er echter voor gekozen om geen beroep in te stellen tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 21 juni 2001.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x