Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO5111
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een financiŽle tegemoetkoming van f 7697,71 in de kosten van de aanpassing van douche en toilet en het aanbrengen van een traplift, maar met een eigen betaling ten laste van betrokkenen van f 2565,90.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4598 WVG en 02/4599 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wisch, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij primair besluit van 19 september 2000 heeft gedaagde de aanvraag van appellanten om een woonvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) toegewezen in de vorm van een - aan Wisch Woonbeheer te Terborg als eigenaar van de woning te verstrekken - financiŽle tegemoetkoming van f 7.697,71 in de kosten van de aanpassing van douche en toilet en het aanbrengen van een traplift, met een eigen betaling ten laste van appellanten van f 2.565,90.

Bij het bestreden besluit van 21 maart 2001 heeft gedaagde het door appellanten tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak van 30 juli 2002, reg.nr. 01/527 WVG, heeft de rechtbank Zutphen het namens appellanten tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellanten heeft M.G. van der Linde-de Jager, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie te Amersfoort, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 26 november 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door Van der Linde-de Jager, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Mul en A.B. Tieltjes, beiden werkzaam bij de gemeente Wisch.




II. MOTIVERING


Feiten

Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

Appellanten hebben met Wisch Woonbeheer voor de ten laste van hen blijvende eigen betaling een betalingsregeling getroffen waarbij, uitgaande van een economische afschrijvingstermijn van tien jaar, gedurende die tien jaar door hen een vast bedrag per maand (in de vorm van een annuÔteit) van f 31,60 dient te worden betaald. In de regeling is de voorwaarde opgenomen dat, indien de huurovereenkomst eerder eindigt, het restantbedrag direct opeisbaar wordt, tenzij de opvolgende bewoner de voorziening nodig heeft.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit financiŽle tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten Wisch (hierna: het Besluit) bij een inkomen - zoals dat van appellanten - boven 1,5 maal het toepasselijke norminkomen de financiŽle tegemoetkoming in de kosten van de woonvoorziening 75% van de aanpassingskosten bedraagt, waarbij de resterende 25% als eigen betaling ten laste van de aanvrager blijft. Gedaagde heeft geen aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit het bedrag van de financiŽle tegemoetkoming te verhogen (en daarmee het bedrag van de eigen betaling van appellanten te verlagen), nu de in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bedoelde Wvg-draagkracht van appellanten - door gedaagde, over het jaar 1999, berekend op f 373,05 per jaar - niet wordt overschreden.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - kort weergegeven - onder meer overwogen:
- dat de onderhavige woonvoorzieningen terecht in de vorm van een financiŽle tegemoetkoming zijn verstrekt;
- dat er geen beletselen zijn voor het stellen van inkomensgrenzen en dat de wijze waarop gedaagde van zijn bevoegdheid - op grond van de Wvg - op dit punt in de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Wisch (hierna: de Verordening) en het Besluit gebruik heeft gemaakt, niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht;
- dat uit artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de - ministeriŽle - Regeling inzake financiŽle tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG (hierna: de Regeling) volgt dat de draagkracht van appellanten per jaar (jaarlijks) wordt vastgesteld, waarbij de in een kalenderjaar verschuldigde eigen betaling de Wvg-draagkracht niet te boven mag gaan;
- dat niet kan worden gezegd dat de door gedaagde gehanteerde periode van tien jaar in strijd moet worden geacht met enige regel van geschreven of ongeschreven recht.



Standpunten van partijen

Appellanten kunnen zich niet verenigen met het, uit de hiervoor weergegeven overwegingen voortvloeiende, oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in rechte standhoudt Zij hebben daartoe de volgende drie grieven aangevoerd.

Ten eerste hebben appellanten betoogd dat de traplift (voor appellanten) niet moet worden aangemerkt als een financiŽle tegemoetkoming maar als een voorziening in natura. Een financiŽle tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing wordt immers ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wvg aan de eigenaar van de woonruimte verleend en deze stelt de voorziening vervolgens feitelijk ter beschikking aan de huurder. Op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling geldt dat de voor een voorziening in natura (eventueel) verschuldigde eigen bijdrage slechts verschuldigd is over het kalenderjaar waarin de voorziening wordt toegekend, terwijl voorts het totaal aan eigen bijdragen per kalenderjaar ten hoogste f 100,-- bedraagt. Derhalve kunnen appellanten niet meer verschuldigd zijn dan een eigen bijdrage van f 100,--.

Ten tweede achten appellanten het beleid van gedaagde, waarbij de eigen betaling wordt uitgesmeerd over de economische afschrijvingstermijn, niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de (strekking van de) Regeling. Volgens appellanten mag slechts eenmaal, en wel in het kalenderjaar waarin de voorziening wordt toegekend, een eigen betaling ter hoogte van (maximaal) de vastgestelde draagkracht worden opgelegd. Appellanten verwijzen naar de aanpassing van de Regeling na de eerste evaluatie van de Wvg, waardoor met name de middeninkomens minder financieel nadeel zouden ondervinden als gevolg van de eigen betalingen en eigen bijdragen op grond van de Wvg. Voorts is in dit verband aangevoerd dat onvoldoende kapitaalkrachtige gehandicapten als gevolg van het beleid van gedaagde een niet gering bedrag aan rente betalen, waardoor zij veel meer bijdragen aan een voorziening dan gehandicapten met een ruimere draagkracht.

Ten derde hebben appellanten aangevoerd dat, gezien hun leeftijd, het niet ondenkbaar is dat zich inderdaad de in de betalingsregeling met Wisch Woonbeheer voorziene situatie van voortijdig vertrek uit de woning zal voordoen, als gevolg waarvan het restantbedrag direct opeisbaar wordt. Weliswaar heeft gedaagde op dit punt ter zitting van de rechtbank gesteld dat de draagkracht bij gewijzigde omstandigheden op verzoek van de gehandicapte opnieuw kan worden vastgesteld, maar de rechtbank is er in de aangevallen uitspraak ten onrechte van uitgegaan dat deze zienswijze in overeenstemming is met de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van de Regeling. Uit de wetsgeschiedenis van de Wvg blijkt duidelijk dat het nooit de bedoeling is geweest om de eenmaal bij het toekennen van een voorziening vastgestelde draagkracht te herzien als de omstandigheden in de loop van de jaren wijzigen. Ook om deze reden is naar de mening van appellanten sprake van strijdigheid met de bedoeling van de wetgever en de (strekking van de) Regeling.

Gedaagde heeft in hoger beroep het in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd. Gedaagde heeft onder meer betoogd dat de traplift niet kan worden aangemerkt als een voorziening in natura. Ter rechtvaardiging van het uitsmeren van de eigen betaling over de economische afschrijvingstermijn verwijst gedaagde, nu de verhuurder er niet voor heeft gekozen om de kosten van de woningaanpassing ter hoogte van de eigen betaling door te berekenen in de huur, naar de analoge situatie van de eigenaar-bewoner met een lening met aflossing ter financiering van de woningaanpassing. Gedaagde betwist dat de Regeling geen ruimte laat voor bijstelling van de draagkracht; herziening van de draagkracht kan plaatsvinden tot uiterlijk 45 dagen na afloop van het kalenderjaar. Met betrekking tot de voorwaarde in de betalingsregeling met Wisch Woonbeheer inzake voortijdig vertrek uit de woning heeft gedaagde in het verweerschrift aangegeven, dat jaarlijks na het afsluiten van de Wvg-procedure op verzoek van belanghebbende een draagkrachtberekening kan plaatsvinden en, indien van toepassing, een aanvullende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) kan worden toegekend.
Beoordeling



Ambtshalve

De Raad overweegt allereerst ambtshalve het volgende.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de rechtbank ter zitting aan partijen medegedeeld dat na ontvangst van door gedaagde in te zenden nadere stukken het onderzoek zal worden gesloten, waarna binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Eveneens blijkens het proces-verbaal van de zitting hebben partijen daarmee ter zitting ingestemd.

Gedaagde heeft vervolgens bij faxbericht van 12 juni 2002 de nadere stukken, met een toelichting, ingezonden. Op 20 juni 2002 heeft de rechtbank een afschrift van dit faxbericht aan Van der Linde-de Jager gezonden, waarna de rechtbank op 30 juli 2002 de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

De Raad stelt vast dat de rechtbank - feitelijk - met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting heeft geschorst en dat zij voorts heeft beoogd ter zitting bij voorbaat van partijen toestemming als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb te verkrijgen om de nadere zitting achterwege te laten.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad staat het de rechter niet vrij om, ingeval er nieuwe stukken aan het dossier worden toegevoegd, zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige stukken de zaak buiten (nadere) zitting af te doen. Het achterwege laten van de nadere zitting is in die situatie eerst mogelijk, indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank echter, nadat door gedaagde na de zitting nadere stukken waren ingezonden, partijen niet opnieuw om toestemming als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb verzocht, terwijl partijen een dergelijke toestemming ook anderszins niet hebben gegeven.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb tot stand is gekomen, zodat deze dient te worden vernietigd.



Naar aanleiding van de grieven

De Raad zal, zelf opnieuw recht doende, vervolgens naar aanleiding van de door appellanten aangevoerde grieven beoordelen of het bestreden besluit in rechte standhoudt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg bevat de gemeentelijke Wvg-verordening in ieder geval regels met betrekking tot de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend. De gemeente Wisch heeft hieraan uitwerking gegeven in onder meer artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Verordening, waarin is bepaald dat de te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van de woningaanpassing. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wvg wordt een financiŽle tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Op grond van deze bepalingen, in onderling verband bezien, waren er voor gedaagde geen beletselen om de aangevraagde woningaanpassingen te verstrekken in de vorm van een financiŽle tegemoetkoming in de kosten daarvan. Dat deze tegemoetkoming niet is verleend aan appellanten maar aan de eigenaar van de woning, die vervolgens de woningaanpassingen feitelijk aanbrengt, kan - in het licht van het hierboven weergegeven stelsel - aan de toegekende woonvoorziening niet het karakter van financiŽle tegemoetkoming ontnemen. Artikel 5, eerste en tweede lid, van de Regeling, welk artikel ziet op maximering van de eigen bijdragen bij toekenning van voorzieningen in natura, is derhalve, anders dan appellanten hebben betoogd, hier niet van toepassing. De eerste grief treft derhalve geen doel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling mogen de in een kalenderjaar verschuldigde eigen bijdragen en het eigen aandeel in de kosten van een voorziening waarvoor een financiŽle tegemoetkoming wordt verleend, de draagkracht, bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Regeling, niet te boven gaan.

Anders dan appellanten ziet de Raad noch in deze bepaling noch anderszins in de Wvg of in de Regeling een beletsel gelegen voor het, in het kader van de toepassing van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit, toegepaste uitsmeren van de eigen betaling van appellanten over de economische afschrijvingstermijn. De Wvg kent geen bepaling terzake en de Regeling bevat in artikel 5 alleen voor de eigen bijdrage bij toekenning van een voorziening in natura een beperking van de verschuldigdheid van de eigen bijdrage tot het kalenderjaar waarin de voorziening wordt toegekend. Uit de wetsgeschiedenis van de Wvg blijkt dat de wetgever ervan uitgaat, dat in geval van aanpassing van een huurwoning de verhuurder het deel van de aanpassingskosten dat op grond van het bij en krachtens de Wvg bepaalde als eigen betaling niet wordt vergoed, op basis van een gebruikelijke economische afschrijvingstermijn financiert hetzij door middel van een verhoging van de huurprijs - waartoe bij de invoering van de Wvg artikel 10 van de Huurprijzenwet woonruimte is aangepast - hetzij, bij kleinere bedragen, door middel van een overeenkomst van geldlening met de huurder. In beide gevallen dient de woonlastenstijging binnen de Wvg-draagkracht te blijven. Ook in de toelichting op de Regeling is dit uitgangspunt van meerjarige financiering van de niet-gesubsidieerde kosten van woningaanpassing verwoord. Daarin is ook aangegeven dat de uit de financiering van een woningaanpassing voor een eigenaar-bewoner voortvloeiende "lasten van rente en aflossing, die gespreid worden over een aantal jaren", in het algemeen binnen zijn draagkracht zullen blijven. De Raad concludeert uit het voorgaande, mede tegen de achtergrond van het uit de wetsgeschiedenis van de Wvg naar voren komende uitgangspunt van de "goedkoopst adequate" voorziening, dat bij toetsing aan de Wvg-draagkracht zowel bij huurwoningen als bij eigen woningen rekening kan worden gehouden met het uitsmeren van de eigen betaling aan de woningaanpassing over een aantal jaren, en dat daarbij als uitgangspunt kan worden genomen de economische afschrijvingstermijn.

Nu appellanten de door gedaagde gehanteerde economische afschrijvingstermijn van tien jaar als zodanig niet hebben betwist, volgt uit het hiervoor overwogene dat ook de tweede grief niet slaagt. Dat minder kapitaalkrachtige huurders door het betalen van rente over een aantal jaren meer bijdragen aan hun voorziening dan huurders die de eigen betaling in ťťn keer voldoen, doet - wat er overigens ook zij van die stelling van appellanten - aan het voorgaande niet af.

Naar aanleiding van de derde grief stelt de Raad allereerst vast dat appellanten er terecht op hebben gewezen dat in artikel 4, derde lid, van de Regeling slechts een regeling is gegeven voor de situatie dat de draagkracht na afloop van het kalenderjaar waarin de voorziening is toegekend, feitelijk in dat jaar door na de vaststelling bekend geworden hogere handicapgebonden uitgaven lager blijkt te zijn dan het bedrag waarvan bij de toekenning was uitgegaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat in geval van voortijdig vertrek uit de woning de draagkracht van appellanten op grond van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van de Regeling opnieuw kan worden vastgesteld.

Vervolgens stelt de Raad echter vast, dat aan het systeem van het - op voorhand - uitsmeren van de eigen betaling over een aantal jaren inherent is dat, wanneer de aangepaste woonruimte voor afloop van de gehanteerde termijn door de huurder wordt verlaten en deze wordt geconfronteerd met een - al dan niet onmiddellijk opeisbare - restantschuld voor een woningaanpassing waarvan hij niet meer kan profiteren, gedaagde gehouden is de negatieve financiŽle gevolgen daarvan op te vangen in het kader van de Wvg (en niet, zoals gedaagde aanvankelijk voorstond, in het kader van de Abw). Dit betekent dat gedaagde op verzoek van een betrokkene voor het kalenderjaar waarin deze de huur van de aangepaste woning beŽindigt, met toepassing van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit de restantschuld (als onderdeel van de eigen betaling) dient te toetsen aan de reeds eerder vastgestelde draagkracht. Vervolgens dient zo nodig herziening (wijziging) plaats te vinden van het - eerdere - besluit waarbij de voorziening is toegekend, in die zin dat de financiŽle tegemoetkoming zodanig dient te worden verhoogd (en daarmee de eigen betaling zodanig verlaagd) dat de draagkracht niet wordt overschreden. De Raad wijst er in dit verband op, dat aldus de positie van huurders die in een situatie als die van appellanten verkeren, zoveel mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met die van de huurder bij wie de eigen betaling is verdisconteerd is in de huur (die na beŽindiging van het huurcontract niet meer via de huursom bijdraagt aan de kosten van de voorziening) en met die van de eigenaar-bewoner (die in beginsel zijn investering geheel of gedeeltelijk kan terugverdienen uit de verkoopprijs van de woning). Aan een dergelijke herziening (wijziging) staat de Regeling ook niet in de weg.

Uit het voorgaande volgt dat, nu voor gedaagde de hiervoor weergegeven inherente gehoudenheid in het kader van de Wvg bestaat, ook in de problematiek van het - mogelijk - voortijdig vertrek uit de aangepaste woning geen grond is gelegen om het bestreden besluit onrechtmatig te achten, zodat de derde grief evenmin slaagt. Voor de goede orde wijst de Raad er nog op, dat gedaagde ter zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat de gemeente Wisch in het geval van voortijdig vertrek van appellanten uit de woning de restantschuld - hoe dan ook - voor haar rekening zal nemen.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte standhoudt, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.



Slot

Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, is er aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep, begroot op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door de gemeente Wisch;
Bepaalt dat de gemeente Wisch aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 82,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x