Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO5333
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aangezien aan betrokkene niet met terugwerkende kracht een voorziening in natura in de vorm van een bruikleenauto kan worden verstrekt en hem over de korte in geding zijnde periode waarin op de gemeente een zorgplicht op grond van de Wvg rustte een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van vervoer is toegekend, heeft betrokkene geen (proces)belang meer bij een beoordeling van de zaak ten gronde.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2692 WVG




U I T S P R A A K



in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkel en Rodenrijs, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2002, reg.nr. WVG 02/360, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit van 10 januari 2002 ongegrond verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad hebben appellant en gedaagde bij brieven van 24 december 2003 respectievelijk 6 januari 2004 nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2004. Appellant is met kennisgeving van afwezigheid niet verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door C.E. de Jel, werkzaam bij de gemeente Berkel en Rodenrijs.




II. MOTIVERING


Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan de volgende feiten toe.

Appellant woonde tot 1 juli 2002 op het adres [adres] te [woonplaats]. Met ingang van die datum staat hij in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [gemeentenaam] ingeschreven op het adres [gemeentenaam]. Daarbij is vermeld dat appellant dit adres gebruikt als briefadres.

Gedaagde heeft appellant bij besluit van 8 mei 2002, in aansluiting op de beŽindiging van de verstrekking van een bruikleenauto per 12 juni 2002, een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van vervoer toegekend. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

Het hoger beroep strekt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en vervolgens gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit houdt in de handhaving in bezwaar van de beŽindiging per 12 juni 2002 van de verstrekking van de eerder aan appellant op grond van het bepaalde in en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) toegekende bruikleenauto. Appellant wenst per die datum weer de beschikking te krijgen over een bruikleenauto.

De Raad stelt vast dat gedaagde per 1 juli 2002 niet meer woonachtig is in de gemeente [gemeentenaam]. Dit heeft tot gevolg dat er vanaf die datum op gedaagde geen zorgplicht als bedoeld in artikel 2 van de Wvg meer rust.

Over de - resterende - periode van 12 juni 2002 tot 1 juli 2002 is aan appellant bij het besluit van 8 mei 2002 op grond van het bepaalde in en krachtens de Wvg een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van vervoer toegekend. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Aangezien aan appellant niet met terugwerkende kracht een voorziening in natura in de vorm van een bruikleenauto kan worden verstrekt en hem over de korte in geding zijnde periode waarin op gedaagde een zorgplicht op grond van de Wvg rustte bij het besluit van 8 mei 2002 een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van vervoer is toegekend, heeft appellant geen (proces)belang meer bij een beoordeling van de zaak ten gronde.

De conclusie is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.

(get.) mr. M.I. 't Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x