Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO5433
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Bestaat er een medische noodzaak voor de verhuizing? Het betreffende besluit is ten onrechte niet aangemerkt als een nieuw besluit op bezwaar en is in strijd met de in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb neergelegde heroverwegingsplicht krachtens mandaat genomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3366 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg, op de bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2002, reg.nr. Awb 01/661, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2004, waar partijen - wat appellante betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.

Bij besluit van 20 september 1999 heeft gedaagde de aanvraag van appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Borsele (hierna: Verordening) om een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten (hierna: verhuiskostenvergoeding) afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 april 2000 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2000 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen.

Bij brief van 21 maart 2001 heeft het hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Borsele namens gedaagde de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding - opnieuw - afgewezen. Daarbij is vermeld dat bezwaar kan worden gemaakt.

Bij brief van 10 april 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

Daartegen heeft mr. Faas namens appellante beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het door de arts R.V. Braber van Argonaut B.V. te Vlissingen ingestelde medische onderzoek niet zorgvuldig is geweest, dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van diens advies van 6 maart 2001 en dat is gebleken dat bij de advisering niet is uitgegaan van een te beperkte grondslag. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot de door appellante bestreden besluitvorming heeft kunnen komen.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe - kort weergegeven - aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in het geval van appellante wel degelijk sprake is van een medische noodzaak voor verhuizing. Appellante verwijst daartoe naar een medische rapportage van haar behandelend reumatoloog P.B.J. de Sonnaville te Goes van 7 maart 2000. Voorts heeft appellante herhaald dat de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medische advisering ten onrechte beperkt is gebleven tot de vraag of sprake is van ergonomische beperkingen.

De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.

De rechtbank heeft de brief van het hoofd van de afdeling Sociale Zaken van 21 maart 2001 aangemerkt als het primaire besluit, de brief van appellante van 10 april 2001 als een daartegen gericht bezwaarschrift en de brief van gedaagde van 18 oktober 2001 als het, in beroep bestreden, besluit op bezwaar. De Raad acht dit niet juist. Hoewel de rechtbank in de uitspraak van 22 november 2000 dit - ten onrechte - niet uitdrukkelijk heeft vermeld, diende gedaagde ter uitvoering van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen (en niet een nieuw primair besluit). De brief van het hoofd van de afdeling Sociale Zaken van 21 maart 2001 moet derhalve worden aangemerkt als (het) besluit op bezwaar. De rechtbank had daarom, volgens vaste rechtspraak, het "bezwaarschrift" van 10 april 2001 moeten aanmerken als een beroepschrift en de beslissing op dat bezwaar van 18 oktober 2001 en de in het kader van het beroep in het geding gebrachte stukken moeten beschouwen als een nadere toelichting op de standpunten van partijen. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten, dient de aangevallen uitspraak om die reden te worden vernietigd.

De Raad zal, zelf opnieuw recht doende, vervolgens beoordelen of het besluit van 21 maart 2001 in rechte stand kan houden.

In dat verband overweegt de Raad, eveneens ambtshalve, dat dat besluit krachtens mandaat is genomen door een ambtenaar, terwijl het primaire besluit (van 20 september 1999) door gedaagde zelf was genomen. Daarmee is beslist op een wijze die niet beantwoordt aan (de strekking van) de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde heroverwegingsplicht. Hieruit volgt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 21 maart 2001 dient te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er gronden zijn om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend.

Daarbij is allereerst van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde het besluit van 21 maart 2001 inhoudelijk voor zijn rekening neemt.

In aansluiting daarop oordeelt de Raad, met de rechtbank, dat uit de gedingstukken blijkt dat bij de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medische advisering niet is uitgegaan van een te beperkte grondslag in die zin dat slechts zou zijn bezien of sprake is van ergonomische beperkingen.

In dit verband herinnert de Raad, met verwijzing naar zijn uitspraken van 4 februari 2004 (LJN AO3543, AO3621 en AO3623), er in algemene zin aan dat bij een verhuiskostenvergoeding sprake moet zijn van een maatregel gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen (ruimer dan - alleen - ergonomische beperkingen) die de gehandicapte bij het normale gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. Van dergelijke beperkingen is alleen dan sprake, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, terwijl voorts de beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) moeten worden ondervonden.

Op grond van de beschikbare gegevens - waaronder met name het advies van Brabers, die bij zijn advisering ook de rapportage van De Sonnaville heeft betrokken - is ook de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat bij appellante sprake is van beperkingen in de hiervoor bedoelde zin. De ondervonden beperkingen staan immers niet in de weg aan het normale gebruik door appellante van haar woning. Dat zij enig ongemak ondervindt bij de schoonmaak en het onderhoud van de woning en het onderhoud van de tuin, is - nog daargelaten de mogelijkheid van huishoudelijke hulp - voor een andersluidend oordeel niet toereikend.

De Raad ziet voorts nog aanleiding op te merken dat de rechtbank, door te concluderen dat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn besluitvorming heeft kunnen komen, een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. In artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening is - in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening - bepaald dat een gehandicapte voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking kan worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren. Nu in het geval van appellante niet is voldaan aan de in artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening voor de uitoefening van de bevoegdheid tot het toekennen van een verhuiskostenvergoeding opgenomen (materiële) voorwaarde, is een belangenafweging door gedaagde niet aan de orde en derhalve evenmin een toetsing door de bestuursrechter van de uitkomst van een dergelijke belangenafweging. De rechtbank had daarom dienen te volstaan met de conclusie dat gedaagde in het geval van appellante niet bevoegd was een verhuiskostenvergoeding toe te kennen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 maart 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966, --, te betalen door de gemeente Borsele;
Bepaalt dat de gemeente Borsele aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs.Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x